Kunstkritiek heeft iets tijdelijks. Zeker als zij voor een krant geschreven wordt. Aanleiding is een pas geopende tentoonstelling, een recent verschenen catalogus of een ander nieuwswaardig feit. Wanneer die teksten vervolgens gebundeld worden in een boek, gebeurt er iets vreemds. Het tijdelijke wordt verwisseld voor het eeuwige; een recensie dient zich ineens staande te houden zonder de context van de actualiteit die er de aanleiding toe vormde. Journalisten die erin slagen een tekst een langere houdbaarheid te geven, zijn gewoonlijk gezegend met een behoorlijk literair talent. Een goed voorbeeld is de Amerikaanse schrijver, journalist Tom Wolfe; zijn essaybundel The Painted Word uit 1975 – een cynisch ironische ontmaskering van de New Yorkse kunstscène in de jaren zestig en zeventig – is nog steeds de moeite van het lezen meer dan waard.
Hans den Hartog Jager, kunstrecensent voor het NRC Handelsblad en schrijver van inmiddels twee romans, is de uitdaging van een bundeling van zijn kritieken aangegaan. Haai op sterk water heet deze bundel, die een overzicht biedt van zijn pennenvruchten van de afgelopen twaalf jaar. Wie zijn artikelen in NRC Handelsblad leest, weet dat Den Hartog Jager graag en goed mijmert over de betekenis van kunst en daarbij harde kritiek niet schuwt. Haai op sterk water pretendeert volgens de flaptekst een overzicht te bieden van de ontwikkeling van de recente kunst, maar is in werkelijkheid niet meer dan een losse verzameling ‘hoogtepunten’ uit Den Hartog Jagers oeuvre. Dat er nog iets van een rode draad is terug te vinden, is alleen te danken aan Den Hartog Jagers moeizame verhouding met de fotografie, in combinatie met zijn voorliefde voor schilderkunst. Deze interesses heeft geresulteerd in de selectie van een groot aantal teksten over deze onderwerpen – onder andere sympathiserende beoordelingen van de schilders Gerhard Richter en Ger van Elk, en meer kritische teksten over de fotografen Annie Leibovitz en Rineke Dijkstra.
In het boek is het vergeefs zoeken naar de originele publicatiedata van de artikelen. Zo ontbreekt de vermelding dat Den Hartog Jagers essay Luie Schilders, waarin hij ongemeen harde kritiek uit op het kritiekloze pluggen van middelmatige fotografie door de als paddenstoelen uit de grond schietende fotomusea, inmiddels vijf jaar oud is (26 september 2003). Het essay hoort als hoogtepunt binnen Den Hartog Jagers zeker thuis in de bundel, maar de indruk ontstaat nu dat het onderwerp als zodanig nog niets aan relevantie verloren heeft. Jammer is ook dat niets duidelijk wordt over de commotie die het veroorzaakt heeft – de kracht van het verhaal zat ook in de polemiek die het veroorzaakte. Wolfe pakte dat in The Painted Word slimmer aan en heeft de uitspraken van zijn tegenstrevers in zijn essays geïncorporeerd, waardoor deze dertig jaar later nog steeds ‘in context’ staan.
Een ander paradepaardje van Den Hartog Jager zijn de Young British Artists. In Laat duizend bloemen bloeien, het openingsessay, beschrijft hij hun opkomst. Het essay is in feite een tot historisch overzicht gemonteerde serie kritieken geschreven tussen 1995 en 2007, een techniek die in de bundel meerdere malen wordt toegepast in een poging de beperkte scope van de originele artikelen te overstijgen. Zonder veel succes overigens, want hoewel vier losse besprekingen over een periode van twaalf jaar een aardige tijdlijn vormen, mist het op basis daarvan geproduceerde essay de broodnodige distantie die voor nieuwe, of in ieder geval originele inzichten had kunnen zorgen. Nu versterkt Laat duizend bloemen bloeien het gevoel dat het boek niet veel meer is dan een haastig samenraapsel van oud materiaal.
Als de oorspronkelijke context van een tekst is verdwenen, verschuift de aandacht vanzelf naar ander aspecten: de kwaliteit; het literaire niveau en de originaliteit en relevantie van de gedane uitspraken. Helaas moet daar gesteld worden dat Den Hartog Jager, ondanks het feit dat hij enkele romans op zijn naam heeft staan, geen Tom Wolfe is. Zijn schrijfstijl is te weinig onderscheidend. Hij bewijst in Haai op Sterk Water dat zijn oog voor kunst uitstekend is, maar ontdaan van de oorspronkelijke context blijft er niet genoeg over dat het het op sterk water zetten van zijn artikelen rechtvaardigt. Wie Den Hartog Jager op de toppen van zijn kunnen wil leren kennen, kan zich het beste beperken tot de interviews uit Haai op sterk water, of grijpen naar de door hem geschreven bundel kunstenaarsgesprekken Verf (2004), want het zijn interviews waarin Den Hartog Jager op z’n sterkst is.







