LONDEN
Hayward Gallery
28/05/08 -
25/08/08
De Hayward Gallery, Londens meest controversiële architectonische landmark, viert zijn veertigste verjaardag met Psycho Buildings: Artists Take on Architecture, een tentoonstelling die haar naam ontleent aan Martin Kippenbergers fotografisch onderzoek uit 1988 van vreemde, vervallen gebouwen. Het concept van de tentoonstelling, installaties geïnspireerd op architectuur, gaat niet uit van Kippenbergers voorliefde voor gebouwen die zich moedwillig onttrekken aan een rigide stedelijke structuur, maar van wat curator Ralph Rugoff ‘het architecturaal onderbewuste’ noemt. Daarmee doelt hij op een theoretische architectuur die bevrijd is van haar functionele verplichtingen. Wat overblijft, is een gevoel van monumentaliteit, een visueel vocabulaire en een geschiedenis van utopieën, die kunstenaars zich in deze tentoonstelling toe-eigenen, heruitvinden, ofwel ‘kannibaliseren’, zoals Rugoff het zelf noemt.
Stone Lip, Pepper Tits, Clove Love, Fog Frog; het klinkt als een gedicht van Kurt Schwitters, maar het is de titel van een installatie van Ernesto Neto, die de bezoeker bij binnenkomst van de tentoonstelling verwelkomt. Opgebouwd uit een delicate, skeletachtige structuur, waar een doorzichtig membraam overheen is gespannen, lijkt de installatie op een architecturale grot. Met zijn grote zakken gevuld met peper en zwarte kruitnagel, is dit een nieuw voorbeeld van de inmiddels bekende aromatische installaties van Neto. Maar de gladde afwerking staat in vreemd contrast tot de ruwe, sensuele directheid die de meest succesvolle werken van Neto kenmerken. Het werk komt daardoor nogal gedwee over.
Ook bij Michael Beutlers Sandwiches, Dobbels and Burgers (2008) is de structuur waaruit het werk is opgebouwd zichtbaar. Het werk heeft sensuele overdaad gemeen met Neto’s Stone Lip…, maar niet zijn gladde esthetiek. Dit grote labyrint van gebogen metalen afval beplakt met gekleurd papier, lijkt meer op een sloppenwijk dan het opgepoetste beeld van wat voor architecturale utopie dan ook. Grote rollen dun papier liggen verloren in het midden van het labyrint, alsof daarmee gesuggereerd wordt dat het werk zich nog verder zou kunnen uitbreiden. Het is misschien een ietwat simplistische, maar wel efficiënte manier om het beeld te ondermijnen van een galerie als een ruimte voor het tentoonstellen van het perfecte.
Terwijl Neto en Beutler experimenteren met de structurele aspecten van de gebouwde omgeving, kiest Do Ho Suh er in zijn werk voor de emotionele lading te benadrukken. In Fallen Star 1/5 (2008) slaat een model van het huis in Zuid-Korea (op 20% van de ware grootte) waar Suh als kind opgroeide, als een komeet in in een replica van het appartementenblok in Rhode Island, New York, waar hij woonde toen hij naar de Verenigde Staten verhuisde. Het woonblok ziet eruit als een poppenkast, maar is met ongelooflijke precisie gereconstrueerd. De voorkant van het blok is weggelaten zodat de binnenkant met alle verschillende kamers – grotendeels verwoest door de impact van de inslag – zichtbaar wordt. Het verlaten van Zuid-Korea moet voor Suh een moeilijke ervaring geweest zijn. In Fallen Star 1/5 maakt hij gebruik van lokale architectuur om een letterlijke representatie te maken van deze culturele shock. Het werk is spectaculair, maar de simpelheid van de boodschap is teleurstellend voor een kunstenaar die het thema ‘culturele dislocatie’ eerder met meer diepgang uitwerkte.
Evenzo spectaculair is Los Carpenteros’ Ikea catastrofe, een installatie die het moment toont net na een ontploffing van een doorsnee burgerlijk interieur, akelig precies weergegeven met honderden stukjes uit elkaar gereten meubelen die aan ijle touwtjes hangen. En Mike Nelsons To the Memory of H.P Lovecraft (1999–2008), een hommage aan deze Amerikaanse sciencefictionschrijver, waarover Jorge Luis Borges schreef in There Are More Things uit 1975. De installatie bestaat uit twee zalen waarvan de muren compleet zijn beschadigd. De sporen van vernieling lijken gemaakt door de klauwen van een verschrikkelijk groot onzichtbaar monster. Het werk functioneert als een hommage aan de rijke creativiteit van zowel de Argentijnse romanschrijver als de Amerikaanse schrijver van horrorverhalen. Het combineert op succesvolle wijze een bijna barokke verbeelding van het fictionele met een beestachtige aanval op Brian ‘O Doherty’s white cube. Indrukwekkend is verder Rachel Whitereads aangrijpende installatie van poppenhuizen Place (Village) (2008) – het resultaat van twintig jaar fanatiek verzamelen – dat op een prachtig de droefheid evoceert van een plek verstoken van elke menselijke aanwezigheid.
Naast de twee verdiepingen met tentoonstellingsruimten in de galerie, die met elkaar verbonden worden door de Life Tunnel (2008) van het architectenduo Atelier Bow Wow, maakt Psycho Buildings gebruik van de buitenruimten van het museum. Hier zijn de meest geruchtmakende werken van de tentoonstelling te zien. Op een van de sculptuurterrassen buiten is Tomas Saraceno’s Observatory, Air-Port-City (2008) geïnstalleerd, een reusachtige doorzichtige koepel die in tweeën wordt gedeeld door een transparant ‘kussen’. Het is de meest recente manifestatie van Saraceno’s ongoing project om een zwevende stad te bouwen waar platforms rondzweven als wolken. Bezoekers worden uitgenodigd om het leven mid-air te ervaren. Dit concept spreekt tot de verbeelding, afgemeten aan het aantal bezoekers dat ervoor in de rij staat. De andere publieksfavoriet is Normally, Proceeding and Unrestricted with without Title (2008) van het kunstcollectief Gelatin. Het werk is een terras gevuld met water waar bezoekers in een kleine handgemaakte kano rond kunnen varen.
Grootschalig en interactief: het schijnt de winnende combinatie te zijn om publiek te trekken en stoffige instituten om te toveren tot populaire locaties. Sommige kunstwerken van Psycho Buildings lijken echter het slachtoffer te worden van hun eigen succes . Toch maken de brutaliteit, de behendigheid en de humor van veel van de werken van Psycho Buildings het tot een van de meest interessante tentoonstellingen van deze zomer. Al moet gezegd dat de magistrale ingreep van Carsten Höller, die ooit met één glijbaan de hele Tate Modern wist te transformeren nog niet is overtroffen.







