Jean Katambayi
Goudmaker-van-stof

Issue no3
Juni - Juli 2018
Transgression

Met snelle halen zijn er op het raam van de tentoonstellingsruimte rijen cijfers gekalkt, woest getrokken pijlen geven de verbanden aan tussen de formule-onderdelen, nummers zijn, als teken van een tevredenstellende conclusie, omcirkeld. Deze uitbarsting van wiskundige manie blijkt een guitig spelletje met dat wat voor handen is: de coördinaten van het adres van de galerie (zo is mij meegedeeld, reken maar dat ik dat niet zelf heb uitgedokterd).

Spelen met wat er is: Jean Katambayi (1974), van wie zijn galerist gekscherend zegt dat Leonardo da Vinci zijn allergrootste idool is, doet het graag. De tentoonstelling ‘On ne sait pas où on va’ (‘we weten niet waar we heen gaan’) doet inderdaad aan als een speelveld van een onbegrensde uomo universale, een kleurrijke uitvindershol van een tienjarig jongetje dat ’s nachts al plakkend, knippend, lassend, schurend en tekenend vorm geeft aan alles wat zich in zijn fantasieruim begeeft: de ruimte, vliegtuigen, andere landen, de wereld. Zo’n jongen wás de Congolese Katambayi ook, verzekert hij me. Behalve dan dat zijn hoofd ook gevuld was met zorgen: zal er nog elektriciteit zijn op school, wanneer de Belgische kolonisator vertrekt? Of breder: hoe zal de toekomst van mijn samenleving eruit zien, waarvan de patronen geprogrammeerd zijn door het koloniale beleid? Om op dit soort vragen antwoord te geven, werd hij eerst elektricien (vandaar de voorliefde voor geometrie, algebra en dat soort dieren), en later kunstenaar.

De tiental werken die nu te zien zijn in het Antwerpse trampoline, de buit uit een twee maanden durende residentie in het Brusselse WIELS, zijn dan ook sterk verbonden aan het dagelijkse reilen en zeilen in de Democratische Republiek Congo. Katambayi is echter geen ‘zeikerige’ kunstenaar die politiek correcte analyses biedt over een ver en afstandelijk verleden, maar een pragmatische geest die vanuit het nuchtere besef dat daar helemaal geen tijd voor is, zijn vizier liever richt op wat komen gaat, vertrekkend vanuit een erkenning voor het nu en een gevoeligheid voor nostalgie. Of: 'Wanneer ik met vrienden praat over zaken als het publiek transport dat het weer eens laat afweten, word ik altijd gezien als een filosoof van een buitenaards tijdperk dat nog moet komen.' Dat, dus. Met die elektriciteitsvoorziening is het overigens nooit echt goedgekomen (nog niet): de reeks Afrolampen, zes grote tekeningen in balpen en viltstift op papier ‘getrokken’ met zelfgemaakte passer, toont gitzwarte elektrische gloeilampen in uiteenlopende vormen behorend tot verschillende decennia. Naast een ludieke vertelling van de geschiedenis van de lamp, is het een shout out naar de miljoenen burgers die genoodzaakt zijn hun heil te zoeken tot kaars en lucifer wanneer de belemmerde elektriciteitsvoorziening weer eens verstek laat gaan, met dagelijkse black-outs van energie tot gevolg.

Jean Katambayi Mukendi Cristallite 2016 84 x 118 cm Prints, masking tape, paper,

Een oplossing zou liggen in de rivier Kongo, waarvan de stuwkracht de capaciteit heeft hele delen van Afrika te voorzien van hydro-elektriciteit, maar dat door een treuzelend en onstabiel politiek arena maar niet van de grond komt. De stroom van de hoekige, stokkende eenrichtingsrivier die Katambayi tekende op een tal van schetsen en notities, River, komt dan ook niet echt op gang.

In een ander stukje visuele autobiografie vertaalt de kunstenaar de omgeving waar hij is opgegroeid: een mijn en staalfabriek in de stad Lubumbashi, 'waar het krassende geluid van een loeiharde sirene de dagelijkse routine bepaalde'. Gécaruines (een woordspeling op Gécamines, de naam van het staatsbedrijf) is een ‘knutselsculptuur’ die de mineralen die in de Congolese ondergrond schuilen in alle transparantie toont; daar is in die business, geteisterd door financieel wanbeheer en corruptie, namelijk nogal een gebrek aan.

Katambayi’s fantasiefabriek heeft trouwens een reusachtige sigaret als schoorsteen. Waarom? 'Mensen vragen me vaak waarom ik niet rook. Nou, ik rook dus wel, al sinds mijn geboorte: smog! Ik woonde vroeger aan de andere de andere kant van de stad dan waar de fabriek stond, maar de smog reikte zelfs tot daar.' Hij vertelt het overigens lachend. De kunstenaar maakt graag gebruik van simpele materialen die hem omringen en die hij steeds weer hergebruikt, denk: plastic, lijm, een bierkrat hier en daar, een gevonden landkaart, koper (Lubumbashi is de 'Capital of Copper') en vooral veel karton ('daar was ons plafond vroeger van gemaakt'). Verlossing, wil hij maar zeggen, is dichterbij dan je denkt; start small, grow big; de mogelijkheid tot groei ligt, letterlijk, in je eigen handen. Vandaar dat hij ook zo gefascineerd is door spinnen: ze produceren de draden voor de meest complexe constructies zelf; autonomie ten top.

installatie galerie

Katambayi bekritiseert (op een humorvolle manier) niet enkel de huidige stand van zaken, maar droomt ook graag weg: van robots of dieren die aan geografische exploratie gaan doen, of een vliegvaartmaatschappij, Marsphairlines, dat over 80.000 jaar vluchten naar Mars zal verzorgen (een werk dat overigens tegelijk de recente aanslagen in Brussel memoreert). Transformatie, dat voor hem in zekere zin tegengesteld is aan herinneren, boeit hem wellicht boven al het andere- een onderwerp waarvan hij het metafoor ‘vervellen’ letterlijk neemt in The Tables. Zijn eigen stukjes ‘dode’ huid zijn voorzien van een dikke laag lijm als kijkkastje, en hij filosofeert in een bolvormige typografie: 'Wanneer een systeem het doel van zijn geheugen verliest, gaat zijn structuur verloren.' Hij mag dan wel niet weten waar hij heen gaat, deze zonnige criticaster en ingenieuze goudmaker-van-stof, but it sure is a hella fun ride.

Jean Katambayi
‘On ne sait pas où on va’
trampoline gallery, Antwerpen
02.04.2015 t/m 30.04.2016

Share this Article:
|Back to Top
Meest gelezen
Tijdschrift

Koop nu het
laatste nummer

Mail naar:
karolien [​at​] metropolism.com
(€9,95 incl verzending)

Neem nu een abonnement op Metropolis M en bespaar 40%!

Abonneer
Metropolis M Tijdschrift over hedendaagse kunst Nr 3 — 2018