David Wojnarowicz, Arthur Rimbaud in New York, 1978-1979,zilvergelatinedruk, 27,5 x 35 cm, courtesy Estate of David Wojnarowicz en P.P.O.W, New York 

Artist Archives Initiative

Need to know 

Issue no5
okt / nov 2017
REMIX

Nederland heeft internationaal een goede naam op conservatoir gebied, maar in dit geval heeft New York de primeur. Het Artist Archives Initiative wil de werkarchieven van kunstenaars bewaren voor het nageslacht zodat helder is hoe werk geëxposeerd moet worden, ook als het nog niet is opgenomen in museumcollecties. Het archief van David Wojnarowicz is sinds enige tijd online beschikbaar, de gesprekken met Joan Jonas over het ontsluiten en publiceren van haar werknotities en andere documentatie is net begonnen.

Artist Archives Initiative (AAI) is opgericht aan de universiteit van New York (NYU) door een interdisciplinair onderzoeksteam, bestaande uit Glenn Wharton, Deena Engels en Marvin C. Taylor, als antwoord op de groeiende behoefte bij kunstprofessionals en academici aan databases die laten zien hoe kunstwerken in het verleden werden tentoongesteld en hoe ze in de toekomst opnieuw kunnen worden gepresenteerd. Glenn Wharton, docent museumstudies aan de NYU en voormalig conservator time-based media bij het MoMA in New York legt uit: ‘Eén van de onderzoeksprojecten die ik wilde opzetten is het ontwikkelen van een model voor het opbouwen van dit soort kennis over kunstwerken. Niet ten behoeve van musea, maar voor de individuele kunstenaars zelf. Het komt overeen met wat musea doen bij het aanleggen van documentatie over hun collecties, maar we bekijken het van de andere kant, vanuit het oeuvre van de kunstenaar, om een zogenaamde “knowledge base” te bouwen.’

Omdat veel van de kunst die vandaag de dag gemaakt wordt niet meer bestaat uit objecten, zoals bijvoorbeeld conceptuele kunst, installaties, performances of videokunst, hebben kunsthistorici, museumarchivisten en conservatoren door de jaren heen verschillende methoden en strategieën moeten ontwikkelen om dit soort werk te conserveren. ‘Het gaat vooral om wat ik variabele kunst zou noemen. Werk dat elke keer verschillend kan worden gepresenteerd’, legt Wharton uit. Praktisch komt het erop neer dat museummedewerkers kunstenaars interviewen over hun werk, kunstenaars vragenlijsten invullen en handleidingen of plattegronden opstellen. Soms maken ze ook een video van de performance ten behoeve van documentaire doeleinden. Al die documentatie en institutionele kennis is vooral bedoeld voor iedereen die het werk wil gaan tentoonstellen, zodat het werk precies te zien is zoals de kunstenaar het heeft bedoeld. Wharton: ‘Dit soort informatie was bij het MoMA eigenlijk alleen beschikbaar voor de eigen medewerkers. Ik wil een informatiebron creëren die toegankelijk is voor het algemene publiek.’

David Wojnarowicz, Seven Miles a Second, 1987, mixed media op affiche, 118 x 93 cm, courtesy Estate of David Wojnarowicz en P.P.O.W, New York 

Het Artist Archives Initiative heeft echter niet alleen tot doel om archieven open te stellen voor iedereen, er worden ook symposia, presentaties en publicaties georganiseerd om een dialoog tussen kunstenaars en academici te bewerkstelligen en om mensen uit de kunstwereld te overtuigen van het belang van het opbouwen van dit soort databanken.

AAI heeft niet alleen tot doel om archieven open te stellen voor iedereen, het wil ook een dialoog tussen kunstenaars en academici bewerkstelligen en mensen uit de kunstwereld overtuigen van het belang van het opbouwen van databanken

Iedere databank die het AAI opbouwt, is afgestemd op de individuele kunstenaar. Samen met de kunstenaar wordt een knowledge base ontwikkeld waarin precies genoteerd staat hoe hij of zij over zijn of haar kunst communiceert met alle mogelijk betrokkenen. 'Eén van de interessante dingen die ik heb geleerd, is dat niet alle kunstenaars alle informatie over hun werk willen delen met het publiek', zegt Wharton. 'Ik begrijp dat uiteraard. Ze willen het resultaat tonen en niet alle technische informatie die achter het werk schuilgaat. Maar toch willen mensen, vooral conservatoren, die informatie graag hebben. Het gaat uiteindelijk om het langdurige behoud van het werk, om te begrijpen hoe het is gemaakt, alle technologie die toekomstige generaties conservatoren nodig hebben om het werk te laten functioneren. Zodra kunstenaars dit inzien, staan ze veel meer open om die technische oplossingen te delen.’

Het eerste project van AAI was het archief van de overleden kunstenaar David Wojnarowicz. ‘Ik ben erg blij dat we begonnen zijn met een kunstenaar die niet meer leeft. We waren daardoor vrij om te doen wat we wilden doen’, erkent Wharton over het project, waarbij de voornaamste bron bestond uit de persoonlijke notities van Wojnarowicz uit de Fales Library van de NYU. ‘We hebben vooral heel veel mensen geïnterviewd die de kunstenaar persoonlijk kenden en met hem hebben gewerkt. De transcripties bevatten waardevolle informatie over wie hij was en hoe de kunst en de politiek uit zijn tijd eruit zagen. Het archief staat open voor iedereen en er kan ook materiaal aan worden toegevoegd.’

Het moeilijkste van het werken aan de David Wojnarowicz knowledge base was het vormgeven van de databank. Wojnarowicz was een kunstenaar en activist die crossmediaal werkte. 'We wilden een bron creëren die zijn werkwijze zou doorzetten en mensen zou toestaan om te begrijpen wie hij was, waar zijn werk uit bestond en hoe dat samenhing met de politiek, verschillende mensen en verschillende kunstgenres uit die tijd’, zegt Wharton. 'Er is bijvoorbeeld een beeldhouwwerk dat zelf een kunstwerk is, maar dat beeld werd vervolgens gefotografeerd en die foto is ook een kunstwerk. De foto kan deel uitmaken van de installatie of misschien schilderde hij over die foto heen, maar het is nog steeds gelinkt aan het beeldhouwwerk’, aldus Deena Engels, directeur van het programma digitale geesteswetenschappen en sociale wetenschappen aan de NYU. Het werken met een vrij toegankelijk onlinesoftwareprogramma, zoals Wiki (hetzelfde als Wikipedia gebruikt), maakt het mogelijk om dingen te koppelen en verbanden te leggen die onmogelijk zijn in een fysiek archief. Op deze manier kan het auteurschap en de authenticiteit meer worden gezien als bestaande uit relaties tussen de werken in plaats van enkel uit bepaalde kenmerken.

David Wojnarowics, The Lazaretto: An installation About the Current Status of the AIDS Crisis, 1990, installatie in samenwerking met Paul Marcus en Susan Pyzow, courtesy Estate of David Wojnarowicz en P.P.O.W, New York 

‘We gaan nu samenwerken met Joan Jonas, een performancekunstenaar, die tachtig jaar oud is en erg bezig is met haar nalatenschap. Ze is een zeer interessante kunstenaar’, zegt Wharton. ‘Veel van haar werken hebben betrekking op elkaar en er zijn veel verbindingen tussen. Het documenteren van performancekunst is anders dan het documenteren van installatiekunst. De uitdaging is om uit te vinden hoe verschillende werken, die door de tijd heen veranderen, kunnen worden vastgelegd.’ Voor dit project werkt het AAI samen met curator en kunsthistoricus Barbara Clausen, die gespecialiseerd is in het werk van Joan Jonas en er verschillende tentoonstellingen mee heeft gemaakt. Clausen kent Joan Jonas zeer goed. Natuurlijk zal de kunstenaar haar eigen zegje krijgen over wat er in de database over haar werk te vinden is en hoe haar archief in haar loft in SoHo vorm krijgt. Onze onderzoekers moeten heel nauw met haar samenwerken. Het is heel leuk om dit keer vanuit de kunstenaar te denken en te vragen wat diegene in een dergelijke informatiebron wil opslaan’, stelt Wharton.

Dit soort onderzoek, waarbij samengewerkt wordt met kunstenaars en andere kunstprofessionals, is sterk beïnvloed door het werk van Nederlandse initiatieven, waaronder de conferentie Modern Art Who Cares, het International Network for the Conservation of Contemporary Art (INCCA), het project Inside Installations van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het huidige NACCA-project (New Approaches in the Conservation of Contemporary Art). ‘Vanuit mijn visie is het grootste deel van het innovatieve onderzoek van de laatste twintig jaar naar het behoud van hedendaagse kunst uit Amsterdam en Maastricht [waar lang een nationaal restauratieatelier was gevestigd, red.] gekomen. Ik weet niet wat het is met het Nederlandse volk of de Nederlandse cultuur, maar om één of andere reden wordt er op een creatieve manier nagedacht over hoe we de kunst van onze tijd moeten behouden’, stelt Wharton.

Archieven helpen om informatie over te dragen, te herstellen en te activeren, om dat wat fysiek verloren is gegaan in gedachten te behouden

‘De documentatie van een performance is slechts een aansporing voor het geheugen, een aanmoediging om de herinnering te behouden.’ Archieven helpen om informatie over te dragen, te herstellen en te activeren, om dat wat fysiek verloren is gegaan in gedachten te behouden. Het is een plaats waar herinneringen niet alleen bij elkaar worden gebracht en bewaard als objecten in een depot, maar ook worden georganiseerd. Een archief dat relaties legt tussen dingen en feiten helpt bij het opgraven van informatie in de toekomst. 'Er is misschien een toekomst voor het archief en er is een archief voor de toekomst’, zegt Wharton. 'Ik denk zeker niet dat alle kunstwerken voor altijd moeten blijven bestaan. Ik denk dat kunstenaars goede keuzes moeten maken over wat bewaard moet blijven en met behulp van welke technologie. Het Artist Archives Initiative kan daarbij helpen.’

DEZE TEKST WERD EERDER GEPUBLICEERD IN: METROPOLIS M NR 5 -2017 REMIX. NU OVERAL TE KOOP. METROPOLIS M KRIJGT GEEN SUBSIDIE. WIJ KUNNEN NIET ZONDER JOUW STEUN. NEEM EEN ABONNEMENT. ALS JE NU EEN JAARABONNEMENT AFSLUIT STUREN WE DIT NUMMER GRATIS TOE. MAIL NAAM EN ADRES NAAR karolien@metropolism.com (ovv actie nr5)

Uit het Engels vertaald door Loes van Beuningen. 

Meer info HIER! 

Share this Article:
|Back to Top
Gerelateerd | Meest gelezen
Tijdschrift

Koop nu het
laatste nummer

Mail naar:
karolien [​at​] metropolism.com
(€9,95 incl verzending)

Neem nu een abonnement op Metropolis M en bespaar 40%!

Abonneer
Metropolis M Tijdschrift over hedendaagse kunst Nr 5 — 2017