Afaina de Jong (AFARAI), installatie 'City of the Sun' ism Innavision voor tentoonstelling 'Blueprint: Whose urban appropriation is this?', courtesy TENT Rotterdam, foto: Aad Hoogendoorn

‘Kunnen we eindelijk die ruimtelijke eenvormigheid doorbreken?’ – de revolutionaire ontwerpen van architect en tentoonstellingsontwerper Afaina de Jong 

Issue no5
okt-nov 2020
Wat is Nederland

Afaina de Jong ontwierp de alom geprezen bijzondere tentoonstellingsarchitectuur van de door Nina Folkersma samengestelde tentoonstelling De tranen van Eros in het Centraal Museum. Doorzichten op J.H. Moesman en andere surrealisten genereren inzichten: want hoe verhoudt het surrealisme, lang bekend als ‘mannenzaak’, zich tot vrouwen? Een gesprek met De Jong over de multiplicity of other: het besef van een meervoudige ruimtelijke beleving, die in de huidige Black Lives Matter-protesten eindelijk een push forward lijkt te krijgen.

—Marsha Bruinen Je werd gevraagd om voor De tranen van Eros het tentoonstellingsontwerp te maken. Hoe ben je toen van start gegaan?

—Afaina de Jong Het proces begon met het krijgen van een overzicht van de objectenlijst –de werken die getoond zullen worden– en van de thematiek die per zaal naar voren zou moeten komen. De insteek van de tentoonstelling is om te kijken naar de relatie die surrealisten en Moesman hadden tot vrouwen, denk aan ideeën over de male gaze en repressed sexuality, en tegelijkertijd ook om vrouwelijke surrealisten aan het publiek te introduceren. Dat vond ik heel leuk, want het vrouwelijke perspectief is ook een belangrijk thema in mijn eigen praktijk. Ik vraag me af: hoe kan je feministische idealen in een ontwerppraktijk verwerken? En dat niet alleen in de keuzes voor opdrachten die je maakt, maar ook in de vormentaal die je gebruikt?

—Marsha Bruinen Het viel me op dat de tentoongestelde surrealistische werken resoneren in die architectonische vormentaal die je hier gebruikt. Muren die in en uit elkaar klappen, verschillende perspectieven die verenigd worden, het idee van collage en bovenal: veel ronde vormen. Die voorliefde voor de cirkel komt ook in eerdere projecten van je naar voren.

—Afaina de Jong Ik hou erg van rond, of ik houd in ieder geval niet alleen maar van hoekig. Ik heb bouwkunde aan de TU in Delft gestudeerd en daar was alles een rechthoek. De laatste jaren ben ik heel erg geïnspireerd door de cirkel. In TENT Rotterdam maakte ik in 2017 de installatie City of the Sun met veel ronde openingen. Hier in het Centraal Museum wilde ik een surrealistisch landschap maken waarin je de werken als bezoeker langzaam zou kunnen ontdekken. De verschillende halve en hele cirkels werken als doorzichten die het mogelijk maken dat sommige objecten ineens heel erg geframed worden. Ook maken ze mogelijk dat je als bezoeker steeds een wisselende rol speelt: soms ben je de zelf de voyeur en soms word je door iemand anders bekeken. Zo ontstaat een gelaagdheid, een verhaal waar je als bezoeker bij binnenkomst meteen in meegenomen kan worden.

—Marsha Bruinen Als je de tentoonstelling binnenkomt sta je op een verhoging, waardoor je over de eerste zaal uit kan kijken. Toch is een algehele indruk niet meteen mogelijk; het overzicht wordt deels bedekt door cirkels. Door de zalen heen nemen de cirkels steeds op een andere manier de ruimte in: in de derde zaal is bijna het hele zicht geblokkeerd voor de bezoeker.

—Afaina de Jong Klopt, in de eerste zaal (waarin Moesman en andere bekende mannelijke surrealisten worden geïntroduceerd) gaan de cirkels op in een landschap, in de tweede (waarin de benadering van vrouwen in het surrealisme wordt bevraagd) klappen halve cirkels open waardoor weer andere doorzichten ontstaan en in de derde zaal (waarin vrouwelijke surrealisten worden geïntroduceerd) vullen ze de hele ruimte. Ik wilde dat die vrouwen heel veel ruimte in zouden nemen, dat ze heel aanwezig zouden zijn. Als bezoeker krijg je daar alleen een overzicht als je naar de zijkant loopt: dan zie je ineens: ik ben in een hele zaal!

Hoe kan je feministische idealen in een ontwerppraktijk verwerken? En dat niet alleen in de keuzes voor opdrachten die je maakt, maar ook in de vormentaal die je gebruikt?

Overzichtsfoto 'De tranen van Eros', foto: Robert Oosterbroek

Opening 'De tranen van Eros' in het Centraal Museum, © Centraal Museum Utrecht/Jan-Kees Steenman

Opening 'De tranen van Eros' in het Centraal Museum, © Centraal Museum Utrecht/Jan-Kees Steenman

—Marsha Bruinen Hoe is het gekomen dat tentoonstellingsontwerp deel is geworden van je praktijk als architect?

—Afaina de Jong Als architect en ruimtelijk ontwerper zocht ik naar een hoek waarin ik kon experimenteren, ik zocht een ruimte om iets anders te doen dan gebouwen eruit knallen. Tentoonstellingsontwerp is een heel interessant en divers veld vol met ontwerpers met allemaal verschillende achtergronden, zoals stylisten, grafisch ontwerpers en modeontwerpers. Daardoor zijn er ook weinig regels, terwijl het binnen architectuur heel moeilijk is om uit de hele grote bestaande traditie te breken. Ik krijg nog vaak de vraag: ‘Ja maar hoe verhoudt je werk zich tot het werk van Aldo van Eyck?’

—Marsha Bruinen Ten opzichte van architectuur klinkt tentoonstellingsontwerp als een veel ‘snellere’ vorm van ruimtelijk ontwerp.

—Afaina de Jong Ja dat is ook heel fijn. Mijn eerste gebouwde project, dat was in 2011, duurde vier jaar. Daarvan bestond een half jaar uit het ontwerpen zelf en de overige drie en een half jaar uit het touwtrekken maken met de brandweer, gemeente en aannemer. Toen wist ik: ik wil het echt op andere manier doen. Ik wilde sneller en lichter werken, met veel meer ruimte voor experiment.

—Marsha Bruinen Je noemde al eerder het belichten van andere perspectieven als een belangrijk onderdeel van je praktijk. Kun je daar meer over vertellen?

—Afaina de Jong Het is een van de belangrijke uitgangspunten van mijn praktijk om inderdaad te ontwerpen vanuit de posities van vrouwen, maar ook van groepen met andere culturele achtergronden, underground culture of andere niet normatieve cultural movements die weinig in ruimtelijkheid of architectuur gerepresenteerd worden. Uiteindelijk wordt architectuur toch vooral door oudere witte heteroseksuele mannen beoefend, die vaak nog ontwerpen vanuit een idee van een egalitaire of universele samenleving terwijl onze realiteit helemaal niet bestaat uit zo’n samenleving. Ik vind het interessant om vanuit een andere, niet-dominante positie te ontwerpen.

Afaina de Jong (AFARAI), installatie 'City of the Sun' ism Innavision voor tentoonstelling 'Blueprint: Whose urban appropriation is this?', courtesy TENT Rotterdam, foto: Aad Hoogendoorn

Afaina de Jong (AFARAI), installatie 'City of the Sun' ism Innavision voor tentoonstelling 'Blueprint: Whose urban appropriation is this?', courtesy TENT Rotterdam, foto: Aad Hoogendoorn

Afaina de Jong (AFARAI) werkt aan installatie 'City of the Sun' ism Innavision voor tentoonstelling 'BLueprint: Whose urban appropriation is this?', courtesy TENT Rotterdam, foto: Aad Hoogendoorn

—Marsha Bruinen Je bent bezig met een PhD: hoe past dat onderzoek in je ontwerppraktijk? Ben je daarin met dezelfde thematiek bezig?

—Afaina de Jong Ik begon aan mijn PhD aan de TU in Delft, totdat mijn professor verhuisde naar de sociologie-afdeling van de UvA en ik als het ware mee ‘verhuisde’. Het is ergens wel gek om als architect ineens bij sociologie te zitten. Als architect denk je toch anders; meer in lange grote lijnen en met het idee dat alles maakbaar is!’ Je bent design-driven, hebt een oplosmentaliteit. Toch past sociologie ook wel: ik ben als architect altijd bezig geweest met mensen, cultuur en identiteit en hoe daarvoor te ontwerpen. Binnen architectuur wordt een lege ruimte vaak benaderd als een lege ruimte, een kans om iets nieuws te bouwen, waarbij je moet kijken hoe die aansluit op het bestaande netwerk of landschap. Maar die lege plek is geen lege plek: naast de geschiedenis van de fysieke ontwikkeling van die plek is er ook de geschiedenis van mensen en hun onderlinge (culturele) relaties en dat vind ik interessant. Mijn PhD gaat dus over publieke ruimte en hoe cultuur en identiteit een rol kunnen spelen in de ontwikkeling daarvan. Ik kom er niet altijd aan toe, maar het is een goede manier om me verder te verdiepen in mijn praktijk, die op zichzelf ook altijd al research based is geweest.

—Marsha Bruinen Kun je een voorbeeld van een research based werk geven?

—Afaina de Jong Een voorbeeld is Billboard House. De opdracht was om het fenomeen van ‘hangvolwassenen’ in Amsterdam Zuid-Oost te onderzoeken. Het was een apart project, want het probleem dat ik zou moeten oplossen was me niet helemaal duidelijk. Ik vroeg me af: ‘wat is precies het probleem?’ En wat is eigenlijk een ‘hangvolwassene’? We gebruikten een billboard house als een research tool om deze vragen te onderzoeken. We hingen posters op van mensen die aan het ‘hangen’ waren, op plekken die eerder bestempeld waren als problematisch. Mensen kwamen toen op me af en vroegen wat er gaande was. ‘Een ‘‘hangvolwassene’’? Dit is lokale cultuur!’ Zo ontstond er een discussie, die vervolgens in de vorm van posters ook op de Billboard House weren geplakt en ging het gesprek publiekelijk door. Dat vind ik interessant: hoe onderzoeken we de publieke ruimte die we met elkaar delen? Wie mag er meedoen en wie niet? Wie kan er spreken en wie niet? Wie heeft er toegang toe?

Hoe onderzoeken we de publieke ruimte die we met elkaar delen? Wie mag er meedoen en wie niet? Wie kan er spreken en wie niet? Wie heeft er toegang toe?

'Billboard House', foto: AFARAI (studio Afaina de Jong)

'Billboard House', foto: AFARAI (studio Afaina de Jong)

—Marsha Bruinen Je vertegenwoordigt Nederland op de Architectuur Biënnale in Venetië, die nu al geopend zou zijn maar vanwege corona opgeschoven is naar volgend jaar. Je benadering zal voortkomen uit een concept dat vaker in je praktijk terugkeert: de multiplicity of other. Kan je dit concept toelichten?

—Afaina de Jong Onze steden zijn ontzettend divers in culturele achtergronden, in manieren van leven en doen en in cultural movements. Waarom ontwerpen we al onze ruimtes dan nog wel vanuit een singulier idee? Zo’n ontwerppraktijk resulteert in steden die niet helemaal goed werken en in manieren van samenleven die tot problemen leiden, zoals nu ook aangekaart wordt door Black Lives Matter. Architecten zijn ook implicit in het dagelijks geweld dat nu aan de kaak wordt gesteld. Als je wordt opgeleid als architect krijg je de opdracht om een museum of plein of zoiets te ontwerpen. Maar voor wie ontwerp je dat? Voor een universeel persoon , oftewel een (witte) man die de ruimte die je ontwerpt precies zo zal gebruiken als bedacht? Vaak ontwerp je dan als student zonder dat je doorhebt dat er serieuze machtsverhoudingen zijn waar je als architect aan onderhevig bent. Met multiplicity of other wil ik erop wijzen dat onze steden hoofdzakelijk bestaan uit mensen die op de een of andere manier ge-otherd worden, bijvoorbeeld op basis van gender, ras, klasse of ability. Wat ik me afvraag is: als dat het overgrote deel van de mensen is, moeten we dan ook niet een andere ontwerp-attitude hebben en de practices die bestaan in de ontwerpwerelden op een andere manier gaan waarderen? Ik wil het hebben over practices en values. Voor architecten geldt het eerdergenoemde probleem van ‘hangvolwassenen’ als een probleem dat opgelost moet worden door een straat zó gaan ontwerpen dat het niet meer kan gebeuren. Maar je kan het hangen op straat ook waarderen als een lokale cultural spatial practice en je daarbij afvragen wat jij ervan kan leren. Wat is er echt nodig om deze plek te laten werken voor mensen? Wat mij dan met name interesseert is: hoe krijgt zo’n theoretische benadering vorm in de praktijk? Is er een andere architectonische taal of methodologie die je kan gebruiken om de ruimtelijke eenvormigheid –alles is een glazen vierkant of een soort glazen penis die de lucht in gaat- te doorbreken?

Met multiplicity of other wil ik erop wijzen dat onze steden hoofdzakelijk bestaan uit mensen die op de een of andere manier ge-otherd worden, bijvoorbeeld op basis van gender, ras, klasse of ability. Wat ik me afvraag is: als dat het overgrote deel van de mensen is, moeten we dan ook niet een andere ontwerp-attitude hebben en de practices die bestaan in de ontwerpwerelden op een andere manier gaan waarderen?

—Marsha Bruinen Wat voor architectonische taal ga je op de Biënnale gebruiken?

—Afaina de Jong Ik ontwerp de Space of Other, een antithesis van het witte en hoekige Rietveld paviljoen. Het wordt een superflowy, zachte, intense en grafische ruimte waar performances en talks in plaats gaan vinden en waar we met verschillende denkers en doeners de thematiek verder onderzoeken.

—Marsha Bruinen Spreken over ‘de ander’ kan ook een negatieve uitwerking hebben: ‘de ander’ kan neergezet worden als iemand die zich op onoverbrugbare afstand van het ‘zelf’ bevindt. Jij lijkt de term juist positief en productief in te willen zetten.

—Afaina de Jong Ja, het idee van ‘de ander’ heeft zeker negatieve associaties. Het is verbonden aan een koloniaal verleden en een racistische en seksistische structuur die grote groepen mensen, hun denken en doen heeft vermaakt tot zijnde de ander, ofwel als minder of in zijn meest positieve zin als ‘exotisch’. Wat ik wil doen is het begrip omdraaien door te laten zien dat al die mensen die ‘anders’ zijn samen tot de overgrote meerderheid van de wereld behoren. Door slechts een heel klein homogeen groepje mensen met een specifieke visie de realiteit te laten ontwerpen kun je de huidige complexe problemen niet oplossen. Er is gewoon zo veel kennis uitgewist door de eeuwen heen: kennis van vrouwen, kennis van bepaalde black, indiginious people and people of color. Als je kijkt naar hoeveel vrouwelijke activisten, architecten en ruimtemakers het zwijgen is opgelegd of zelfs vermoord zijn, wordt duidelijk hoeveel kennis simpelweg uitgewist is.

—Marsha Bruinen Je wil het begrip niet uit de weg gaan maar gebruiken als een tool voor bewustwording?

—Afaina de Jong Het is onmogelijk het uit de weg te gaan: er zal altijd een ander zijn, je hebt altijd een ander nodig om jezelf te begrijpen. Je moet je alleen realiseren dat we er niet met z’n allen uitkomen als we het overgrote deel van de mensen otheren en hun kennis niet kunnen valuen. Het is heel belangrijk om dit idee in het architectuurdebat te introduceren; Soms lijkt het nog dertig jaar achter te lopen en wordt er weinig over deze thematiek gepraat. Het is heel fijn dat er met Black Lives Matter een window is ontstaan waarin zelf iemand als Hans Ulricht Obrist zegt: ‘we have all been complicit’. Eindelijk! Eerst was er niemand met die prominentie die zoiets zou zeggen. Ik heb het gevoel dat dit soort momenten een push forward kunnen zijn: ik werd er heel hoopvol van toen ik op de Dam stond en jonge mensen zag van all walks of life, het systeem komt echt ter sprake nu.

Ik heb het gevoel dat dit soort momenten een push forward kunnen zijn: ik werd er heel hoopvol van toen ik op de Dam stond en jonge mensen zag van all walks of life, het systeem komt echt ter sprake nu

Instagram-post Hans Ulrich Obrist

—Marsha Bruinen Om in te gaan op de trage ontwikkeling die architectuur doormaakt: kun je iets vertellen over hoe je als jonge architect in het veld naar buiten kan treden? In de beeldende kunst zijn er verschillende soorten presentatie- en projectruimtes, hoe werkt dat in de architectuur? Of hoe heeft dat gewerkt voor jou?

—Afaina de Jong Heel anders, architectuur is in mijn ogen een raar veld. Vroeger had je architectuurcentra die gelinkt waren aan de overheid, was er een architectuuragenda en had elke grote stad een centrum waar architecten bijeen kwamen en plannen ingezien konden worden. Die structuur is inmiddels verbrokkeld. Het Nederlandse Architectuur Instituut bestaat ook niet echt meer: dat is overgegaan in het Nieuwe Instituut, wat niet alleen over architectuur gaat. Verder is er nog Bureau Europa in Maastricht maar dat beperkt zich vaak tot de regio. Voor de rest is er dus niet zo heel veel. Het is niet een heel dynamisch veld en daarom ook wel problematisch. Er gebeuren wel wat dingen, maar het veld is erg in zichzelf gekeerd. Iemand als Rem Koolhaas introduceert eens in de tien jaar met een nieuw thema in het veld, zoals: ‘ontdek allemaal de countryside!’ of twintig jaar geleden ‘in China gebeurt het allemaal!’. De rest volgt dan. Er mist vernieuwing en dynamiek en ik merk dat daarom de architecten die dingen een beetje anders willen doen toch naar de beeldende kunst schuiven of naar vormgeving, omdat daar iets meer vrijheid is. Dat bevalt mij ook wel, maar het blijft ook gek want je bent ook niet een beeldend kunstenaar.

—Marsha Bruinen Je ziet jezelf niet als een beeldend kunstenaar?

—Afaina de Jong Aan de ene kant niet: ik blijf first and foremost vanuit de ruimtelijke traditie denken, ondanks dat ik die soms helemaal kapot wil maken. Dat laatste zie ik dan als de kunstenaarskant. Binnen tentoonstellingsontwerp is ruimte voor beide: ik vind het belangrijk dat mijn ontwerp op zichzelf kan staan en tegelijkertijd het tentoongestelde werk omhoog kan trekken of er een nieuw perspectief aan kan verbinden. Je kunt je afvragen: moet een tentoonstellingsontwerp dienend zijn of mag het heel aanwezig zijn? Ik vind het een leuke discussie en denk dat het ontwerp voor De tranen van Eros in Centraal Museum beide is: het is heel aanwezig maar probeert niet het werk te overschaduwen. Dat komt deels ook door de liefde die ik zelf heb voor beeldende kunst.

'De tranen van Eros' is nog t/m 16 augustus te zien in het Centraal Museum, Utrecht

Marsha Bruinen
is webredacteur bij Metropolis M

Share this Article:
|Back to Top
Gerelateerd | Meest gelezen
Tijdschrift

Koop nu het
laatste nummer

Mail naar:
karolien [​at​] metropolism.com
(€9,95 incl verzending)

Neem nu een abonnement op Metropolis M en bespaar 40%!

Abonneer
Metropolis M Tijdschrift over hedendaagse kunst Nr 5 — 2020