Museum Voorlinden, directeur Wim Pijbes en de golf aan nieuwe privémusea in de wereld

Issue no5
okt / nov 2017
REMIX

Tussen 2006 en 2013 zijn wereldwijd 125 privémusea opgericht, tegenover slechts 25 in de jaren negentig. Over Museum Voorlinden, de golf aan nieuwe privémusea in de wereld en wie er leiding aan geven (dit artikel is eerder gepubliceerd in maart van dit jaar).

De verschuiving is al enige tijd gaande en internationaal al vaker gesignaleerd. Wilden vermogenden vroeger het graag op een akkoordje gooien met de overheid bij het oprichten van musea, en schonken zij via grote nieuw gebouwde publieke instellingen hun kunstverzameling aan de samenleving (bijvoorbeeld sigarenfabrikant Van Abbe in Eindhoven, de havenbaronnen Boijmans en Van Beuningen in Rotterdam, en bankier en verzamelaar Bommel van Dam in Venlo) op voorwaarde dat die er zorgvuldig mee om zou gaan, in de huidige tijd houden de weldoeners liever de touwtjes strak in eigen hand. Ze beginnen een eigen museum, zoals The New York Times afgelopen september al vaststelde.

De tendens is alomtegenwoordig. In het afgelopen augustus verschenen boek The Shift: Art and the Rise to Power of Contemporary Collectors (2015) schrijft onderzoeker Marta Gnyp dat er tussen 2006 en 2013 wereldwijd 125 privémusea zijn opgericht, tegenover slechts 25 in de jaren negentig. In die periode zijn er in Europa slechts een handvol publieke musea bijgekomen, en meerdere opgeheven.

Tussen 2006 en 2013 zijn wereldwijd 125 privémusea opgericht, tegenover slechts 25 in de jaren negentig

Publieke musea worden kennelijk niet meer voldoende vertrouwd door een nieuwe generatie multimiljonairs. Ze bieden onvoldoende garantie op zichtbaarheid van hun met veel vuur en geld vergaarde bezit. Al was het omdat de collecties vaak gigantisch groot zijn, vele duizenden stuks, die onmogelijk zichtbaar gehouden kunnen worden, anders dan door er een eigen museum omheen te bouwen.

Niet onbelangrijk is verder dat de publieke musea steeds meer worden gezien als de representanten van een voorbije tijd, een voorbije publieke cultuur en haar sociale idealen waar de multimiljonairs en, zo lijkt het soms, de overheid zelf steeds minder mee ophebben.

En zo wordt het ene na het andere privémuseum opgericht. De voorbeelden kunnen langzamerhand als bekend worden verondersteld: The Broad Museum in Los Angeles (van Eli Broad), het Crystal Bridges Museum of American Art (van Alice Walton, erfgenaam van Walmart), het Garage Museum in Moskou (van Dasha Zhukova en Roman Abramovich) en Museo Jumex in Mexico-Stad (van Eugenio López Alonso). In Parijs opende twee jaar geleden het gigantische Fondation Louis Vuitton van Bernard Arnault in een gebouw van Frank Gehry.

Ook Nederland doet mee met Museum MORE (2015) van Hans Melchers in Gorssel, Museum Voorlinden (2016) van Joop van Caldenborgh in Wassenaar, en binnen niet al te lange tijd ook het aan eten en kunst gewijde Lisser Art Museum van de supermarktfamilie Van den Broek in Lisse.

Zeer professioneel

Wat bij deze nieuwe privémusea in het oog springt is hun mate van professionaliteit. Het privémuseum is niet langer de bewaarplaats van een collectie naar model van de oude The Barnes Foundation, waar alles zo veel mogelijk bij het oude wordt gelaten, precies zoals de eigenaar het achterliet (de collectie wordt gepresenteerd in vaste ordeningen, er zijn nauwelijks bruiklenen, en maximaal 400 bezoekers per dag). Het zijn juist uiterst dynamische instituten die in hun functioneren niet onder doen voor de publieke musea. Ze vormen complete museale organisaties, met een actief collectie-programma, een ambitieus tentoonstellingsbeleid, verdiepend onderzoek met bijpassende conferenties, en soms een niet geringe afdeling voor marketing en fondswerving.

Privémusea nieuwe stijl willen niet alleen net zo goed zijn als publieke musea, ze claimen zelfs beter te zijn, nu ze steeds vaker meer middelen hebben dan hun publieke tegenhangers. Een schoolvoorbeeld is de Getty Foundation, dat zich ten aanzien van cultuurbehoud en conservering als een wereldleider opstelt, onderzoek faciliterend waar elders geen geld voor is. Maar zie ook hoe de in 1986 opgerichte Saatchi Gallery steeds weer de confrontatie zoekt met Tate Modern sinds dat museum in 1998 een grote voormalige energiecentrale aan de Theems betrok. Demonstratief vestigde Saatchi destijds tijdelijk een museum even verderop, om het publiek te laten zien dat hij de betere collectie hedendaagse kunst heeft.

In Moskou ambieert Dasha Zukhova niets minder dan een nieuw Nationaal Museum voor Hedendaagse Kunst te maken van haar naar het Gorki park verhuisde Garage Museum (lees hiervoor Sergey Guskovs analyse in Metropolis M Nr 3-2015). Een klassiek ander voorbeeld is de Generali Foundation uit Wenen, waar onder leiding van Sabine Breitwieser sinds 1988 een collectie conceptuele kunst is opgebouwd van een samenhang en kwaliteit waar zelfs het Stedelijk Museum jaloers op kan zijn. Deze collectie is overigens recentelijk ondergebracht in een publiek museum in Salzburg.

De Pijbes Move

Al die ambitieuze privémusea moeten worden geleid door managers met kennis van zaken. En dus is het niet vreemd dat er bij de aanstelling van de directies geput wordt uit het contingent aan directeuren die hun ervaring opbouwden in de publieke sector. In Nederland kenden we al het voorbeeld van Hendrik Driessen, die in de jaren negentig als adjunct-directeur van het Van Abbemuseum overstapte naar het toen nieuw op te richten privémuseum De Pont in Tilburg. De meest opmerkelijke internationale museale transfer van publiek naar privé vond tien jaar geleden plaats bij, hoe kan het anders, het grootste van de recente privémusea: Fondation Louis Vuitton dat in 2014 in Parijs in een gebouw van Frank Gehry openging. Weldoener Bernard Arnault wist voor de leiding Suzanne Pagé te strikken, de voormalige directeur van Musée d'Art Moderne de la Ville de Paris.

Pagé en haar toenmalige rechterhand Hans Ulrich Obrist, wisten het Musée d’Art Moderne de la Ville de Paris uit te bouwen tot hét museum voor hedendaagse kunst in Parijs, dat Centre Pompidu eind jaren negentig geregeld overvleugelde met grote en gewaagde tentoonstellingen. Pagé is al sinds 2006 in dienst bij Vuitton en staat aan de basis van het museum zoals dat momenteel te bezoeken valt. Gestaag wordt haar staf uitgebouwd, recent nog met de benoeming van voormalig Metropolis M-medewerker Olivier Michelon, die afgelopen jaren directeur was van Les Abattoires de Toulouse.

Arnaults grote tegenstrever Francois Pinault kocht in 2006 Palazzo Grassi en iets later Punta della Dogana in Venetië voor zijn enorme kunstcollectie. Hij organiseert er nu enkele grote tentoonstellingen per jaar. Directeur is Martin Bethenod, een voormalig topambtenaar van de afdeling Beeldende Kunst van het Franse ministerie van Cultuur en bij zijn overgang directeur van de FIAC, de belangrijkste kunstbeurs van Frankrijk.

Toch zijn benoemingen op het niveau van Pijbes nog uitzonderingen. Als je de lijst directeuren van de grote privémusea bekijkt valt op dat er onder de adviseurs gerenommeerde curatoren rondlopen, maar dat het management vaak bestaat uit minder uitgesproken karakters die vaak al lang in dienst zijn bij de verzamelaar (Nigel Hurst, directeur bij de Saatchi Gallery was er eerst curator, Joanne Heyler bij The Broad Museum is al jaren de artistiek adviseur). Alleen het Crystal Bridges Museum zette hoog in en huurde de onderdirecteur van de National Art Gallery in Washington om het beleid vorm te geven.

Al deze ontwikkelingen zetten de benoeming van Wim Pijbes bij Museum Voorlinden in een iets breder perspectief, maken de opmerkelijke overstap misschien iets beter te begrijpen. De aanstelling van Pijbes valt in de categorie Pagé/ Bethenod bij Vuitton/Grassi, meer dan die van Hurt/Heyler bij Saatchi Gallery/The Broad Museum. Al lijkt het, anders dan bij Vuitton/Grassi, aannemelijk dat hij niet zozeer is aangesteld om dit museum inhoudelijk richting te geven, met Van Caldenborgh en artistiek directeur Susanne Swartz in de buurt, als wel organisatorisch.

Privémusea hebben de grote opgave te overleven, wat niet eenvoudig is als de geldschieter dood is. Ze krijgen uiteraard een bruidsschat mee, maar de continue geldstroom waarmee het grote bezit verworven is houdt onvermijdelijk op en dus is het zaak de organisatie zo in te richten dat er ook andere geldstromen op gang komen. Pijbes zal zich in de dagen dat hij voor het museum werkzaam zal zijn (vast niet voltijds) ongetwijfeld vooral inzetten om het museum zo snel mogelijk zelfstandig te laten opereren. Zodat Museum Voorlinden kan blijven voortbestaan, ook als straks de band van dit museum met oprichter Van Caldenborgh steeds losser wordt.

Meer over musea onder meer in de artikelenreeks: Musea: publiek of privaat? in Metropolis M Nr 1-2012 en het kritische portret van het Garage Museum door Sergey Guskov in Metropolis M Nr 4-2015

Domeniek Ruyters
is hoofdredacteur van Metropolis M

Share this Article:
|Back to Top
Meest gelezen
Tijdschrift

Koop nu het
laatste nummer

Mail naar:
karolien [​at​] metropolism.com
(€9,95 incl verzending)

Neem nu een abonnement op Metropolis M en bespaar 40%!

Abonneer
Metropolis M Tijdschrift over hedendaagse kunst Nr 5 — 2017