Julian Andeweg spreekt met de koning op het Paleis op de Dam, afgebeeld bij het artikel in de NRC van afgelopen zaterdag

Een ongemakkelijke waarheid - bij de publieke reacties op Julian Andewegs ontmaskering

Issue no5
okt-nov 2020
Wat is Nederland

Betrokkenen en instellingen gaven dit weekend in reactie op het NRC-artikel van afgelopen zaterdag over Julian Andeweg statements uit waarin ze hun steun verklaren aan de slachtoffers. Maar worden de slachtoffers hier nu echt mee geholpen?

Terwijl dit weekend de gedachten vooral uitgaan naar de slachtoffers van Julian Andeweg, die hun leven in angst na de publicatie van het artikel in de NRC van 31 oktober nog lang niet achter zich kunnen laten, beginnen de in het artikel genoemde personen en instellingen enigszins overhaast met puinruimen. Er worden dit weekend meerdere verklaringen gepubliceerd waarin steun wordt toegezegd aan de slachtoffers van seksueel geweld. Steun die de slachtoffers in de afgelopen jaren niet hebben gekregen, ondanks diverse signalen die de instituten en zoveel anderen in de kunstwereld niet hebben gezien of niet hebben willen zien.

De instituten lijken in hun verklaringen nog niet te beseffen hoe medeplichtig iedereen is, zowel direct als indirect, mocht het waar zijn wat over Andeweg wordt gezegd. Ook in dit tijdschrift is over de kunstenaar gepubliceerd. Ook ons branden die pagina's nu in onze handen, want ook wij hebben zo bijgedragen aan de gunstige beeldvorming rond iemand die nu een aanrander en serieverkrachter blijkt te zijn. De auteur van een van de artikelen die wij over hem publiceerden, vroeg zaterdagmorgen om verwijdering van de online-versie van de tekst, waar ik mee heb ingestemd. In een ander geval heb ik een tekstfragment laten staan, omdat totale ontkenning ook lijkt op een vorm van witwassing. Het stuk is gepubliceerd en dus een feit.

De publieke verklaringen van de instituten klinken plichtmatig en roepen meer vragen op dan dat ze beantwoorden. Ik vraag me af waarom ze zo gehaast iets hebben willen zeggen, waarom niet even gewacht tot ze iets meer substantieels te melden hadden? Het is misschien begrijpelijk, deze reflex na hun matte reacties in de krant. Maar ze laden ook de verdenking op zich dat hier vooral wat straatjes worden schoongeveegd, omdat ze door de berichtgeving in de NRC in hun goede bedoelingen zijn aangetast.

Misschien is Martin van Zomeren in dat opzicht het eerlijkst: hij neemt zonder gêne een slachtofferrol in als hij in een interview in Het Parool onverbloemd zegt het vervelend te vinden hoe de krant hem 'medeplichtig' heeft gemaakt. Wat hij uiteraard wel is, zoals velen in de kunstwereld dat zijn, als we de NRC moeten geloven. Velen vragen zich nu af of ze iets hadden moeten weten, hadden kunnen zien, hadden moeten zeggen.

Velen vragen zich nu af of ze iets hadden moeten weten, hadden kunnen zien, hadden moeten zeggen

Het geheugen begint bij Van Zomeren gaten te vertonen als het echt penibel wordt. 'Ik herinner me niet dat ik dat heb gezegd', zegt hij als hij wordt herinnerd aan de pijnlijke uitspraak op Art Cologne toen hij aangaf weliswaar te weten van Andewegs wandaden, maar diens vader niet was. Bovendien: 'Ik vind zijn werk goed en het verkoopt', zo zei hij op de beurs, volgens de NRC. Van Zomeren erkent in Het Parool dat hij wel wat meer had kunnen doen dan de enkele ernstige gesprekken met Andeweg nadat hij het 'in een café weer te dol had gemaakt'. Maar hij blijft ontkennen te hebben geweten van de aanrandingen en verkrachtingen. Over de retourzending van Andewegs kunst door de verzamelaar Sleper, die de aankoop bij Van Zomeren op Art Rotterdam direct annuleerde toen hij van iemand hoorde dat het een verkrachter was, wordt in het interview met geen woord gerept.

Ik vraag me af wat een slachtoffer heeft aan zo'n halve schuldbekentenis. Wat zegt dit nu? Wie help je ermee? Ook Stroom Den Haag doet een duit in het halve-schuldbekenteniszakje door in een verklaring van dit weekend zijn steun toe te zeggen aan de slachtoffers. Er wordt in de verklaring gewezen op het initiatief van De Zaak Nu, dat de beeldende kunstsector wil aansluiten bij een nu al actief meldpunt voor seksueel geweld in de culturele sector. Maar wat moet zo'n initiatief inhouden als er toch niets met de meldingen wordt gedaan? Juist Stroom wordt er, in de persoon van Arno van Roosmalen, in de NRC op gewezen dat hij een melding over vrouwenmishandeling door Andeweg in de wind heeft geslagen, nadat hij Andeweg voor een tentoonstelling had uitgenodigd en een vrouw hem mailde met een klacht over Andeweg. Hij heeft er niet naar geluisterd, het gedrag van de kunstenaar zelfs vergoelijkt in een reactie aan haar, zo beweert althans het NRC-artikel. In de dit weekend uitgebrachte verklaring wordt nog eens ontkend dat Stroom wist van Andewegs seksueel geweld tegen vrouwen, waarmee weer twijfels worden gezaaid over de melding van het slachtoffer, wat neem ik aan niet de bedoeling zal zijn.

Het geeft aan hoe moeilijk het is voor slachtoffers om geloofd te worden. Als ze zich al durven te melden. Want als er iets uit het NRC-artikel duidelijk wordt dan is het hoe lastig het is de spiraal van geweld te doorbreken als je er middenin zit. Menigeen zal de misselijkmakende tekst van zaterdag bij lezing halfweg terzijde hebben gelegd vanwege de detaillistische beschrijvingen van het geweld. De auteurs hebben kennelijk willen laten zien hoe verschrikkelijk en dieptraumatisch aanrandingen en verkrachtingen zijn. Hoe verstikkend dat geweld is, hoe eenzaam makend, en hoe vaak vrouwen als ze er al mee naar buiten treden niet worden geloofd. Het hele stuk leest als een wanhoopskreet: luister nu eens naar het slachtoffer verdomme, en niet naar een of ander stompzinnig artistiek of financieel belang.

Het hele stuk leest als een wanhoopskreet: luister nu eens naar het slachtoffer verdomme, en niet naar een of ander stompzinnig artistiek of financieel belang

De auteurs hebben vermoedelijk ook willen aangeven hoe geweld een publieke kant heeft, waar in het geval van Andeweg kennelijk de halve Haagse en Amsterdamse kunstwereld getuige van is geweest op feestjes en na openingen. En dat er naast de publieke kant van het geweld ook vaak een stille kant is van jarenlang verborgen seksueel geweld. Momenten dat dat verborgen geweld publiek wordt zijn spaarzaam en als ze aan de dag treden, wordt er zelden naar geluisterd, zo blijkt in de NRC. Onvoldoende door instituten, te weinig door de politie.

In de NRC worden justitie en politie niet aangesproken op hun nalatigheid in deze zaak, waarin eerder aangiftes zijn gedaan. Het stuk richt zich op de kunstwereld, die in het defensief wordt gedrongen, en kiest nadrukkelijk voor het perspectief van het slachtoffer. Het is in die zin een missionair verhaal, met een specifieke agenda. Dit stuk wil vooral aan de slachtoffers een stem geven omdat de signalen van dat geweld er wel degelijk zijn geweest.

Vechten met een vriendin in de academiegangen, zoals Andeweg deed op de KABK, is niet normaal. Klasgenoten zodanig intimideren dat er schotten moeten worden geplaatst ter bescherming van de vrouwen evenmin. Hoe veilig kun je een school nog noemen, als de dader elke keer weer vrijgepleit wordt, of een gebiedsverbod krijgt opgelegd dat een jaar later alweer is geschonden? En wat moet je nu denken van het bericht dat de Rijksakademie wíst dat Andeweg een uiterst problematisch karakter had, maar dat ze hem toch hebben aangenomen, zij het dat ze hem 'extra in de gaten zouden hebben gehouden'. De Rijksakademie laat in een verklaring van afgelopen weekend weten dat ze staat voor een veilige werkomgeving voor de deelnemers en de begeleiders en staf, maar tegelijkertijd weet ze niet zeker of die er wel was in de afgelopen jaren. Dat moet nader onderzoek uitwijzen.

Natuurlijk zijn alle instellingen en betrokkenen zich rotgeschrokken van het geweld in het NRC-stuk. Ze zullen zich schamen voor hun tamme reacties in de krant en daar iets tegenover hebben willen stellen. Maar met publieke verklaringen vol mooie beloftes komt die zo vurig verlangde veilige kunstwereld geen stap dichterbij. Daar is meer voor nodig. Onderkenning van een probleem is belangrijk, en begrijpen hoe een bepaalde cultuur en opvatting van kunst en kunstenaarschap geweldstructuren als die hier naar buiten zijn gekomen in stand houden, door bijvoorbeeld grensoverschrijdend gedrag te tolereren of halfbakken te straffen, of het te vergoelijken vanwege hardnekkige opvattingen over de normvervagende kracht van creativiteit.

Ik heb veel bewondering voor het onderzoek van Lucette ter Borg en Carola Houtekamer in de NRC, dat zeer uitgebreid was en zorgvuldig, maar verbaas me wel over de manier waarop in het stuk alleen de kunstwereld ter verantwoording wordt geroepen, terwijl bijvoorbeeld justitie en politie buiten beschouwing blijven. Ook het bredere perspectief ontbreekt, de cultuur waarin Andewegs gedrag kon gedijen, en hij ook niet de enige is. Spijtig is verder dat hij met naam genoemd wordt. In Nederland ben je onschuldig tot het tegendeel door de rechter bewezen wordt geacht.

Maar wat je van het stuk ook vindt, het belang ervan is vooral dat iedereen op een ruwe manier is wakker geschud. In het belang van de slachtoffers. Vandaag zullen op kunstacademies en bij andere instellingen procedures worden besproken, en soms misschien speciale werkteams aangesteld en gedragsregels aangescherpt. We mogen vooral hopen dat er voortaan beter gaat worden geluisterd naar de signalen. En dat het stuk leidt tot een nieuwe opmerkzaamheid voor het geweld tegen vrouwen dat overal is, op allerlei niveaus, bewust en onbewust, bedoeld en onbedoeld (ik herinner even aan een groot fotoproject onlangs in Breda), maar dat maar zelden echt wordt gezien.

Publieke verklaringen:

Martin van Zomeren in Het Parool hier

KABK hier

Rijksakademie hier

Stroom Den Haag hier

Bonnefanten hier

Domeniek Ruyters
is hoofdredacteur van Metropolis M

Share this Article:
|Back to Top
Gerelateerd | Meest gelezen
Tijdschrift

Koop nu het
laatste nummer

Mail naar:
karolien [​at​] metropolism.com
(€9,95 incl verzending)

Neem nu een abonnement op Metropolis M en bespaar 40%!

Abonneer
Metropolis M Tijdschrift over hedendaagse kunst Nr 5 — 2020