Amsterdam = 0 en Middelburg = 4, Noa Eshkols bijzondere bewegingsleer

Issue no6
2017
Doorbraak + Aanwinsten 21 musea

Hoe dans een vloeiende, en dus verbindende, taal kan zijn die werkelijk universeel is. Over de bijzondere, verstrekkende bewegingsleer van Noa Eshkol, de in 2007 overleden Israëlische choreograaf en kunstenaar die tot op heden van grote invloed is op jonge kunstenaars en dansers. Haar werk staat momenteel centraal in tentoonstellingen in Vleeshal Middelburg en Kunstverein Amsterdam.

In Vleeshal Middelburg doe ik mee aan de dansworkshop die wordt gegeven door de vijf leden van het Noa Eshkol Chamber Dance Group. In de eerste helft van de zaal zijn de kleurrijke tapijten van Eshkol te zien, uitgestald op grijze blokken, waarvan er sommige op de grond liggen en andere rechtovereind staan. Een aantal is verplaatst, zodat er achterin ruimte voor ons is om ongestoord danspassen te kunnen uitvoeren in de geest van Noa Eshkol. De hele groep geeft zich over aan haar materie, misschien hier en daar met wat onschuldig ongemak.

Eshkol (Israël, 1924-2007) benaderde dans eerder als een studie van bewegingen dan als een esthetische uiting of instrument om een verhaal mee te vertellen. “The term ‘dance’ indicates, in every period, a certain range of movements expressing the choice of a composer and dancer. In other words, while ‘movement’ is the name given to the material wherein all dance is wrought, the ‘dance’ is always the result of a specific way of treating that material.”

Deze quote komt uit het boek Movement Notation (1958) dat ze schreef met architect Abraham Wachman. Hierin introduceren ze het Eshkol-Wachman Movement Notation systeem, dat de mogelijkheid geeft om dans en bewegingen in het algemeen te noteren. Het EWMN-systeem is te vergelijken met de uitvinding van het alfabet of de muzieknotatie, aangezien “alle drie de mogelijkheid delen om exacte informatie over te brengen van de ene persoon naar de andere, zonder afhankelijk te zijn van het visuele of auditieve geheugen van de overdrager”, aldus schrijver Zvi Yanai in het boek Notation for the Liberation of Movement. Op notatievellen, bestaande uit horizontale kolommen met daarin verticale lijnen, kunnen de specifieke bewegingen in letters, getallen en pijltjes worden aangetekend. Iedere kolom representeert een deel van het lichaam:

Met ongeveer twintig andere deelnemers sta ik met mijn gezicht in de richting van de ingang van de Vleeshal. We luisteren naar de aanwijzingen van Rachel Nul-Kahana die al sinds de beginjaren bij de Chamber Dance Group is aangesloten en ons de basis van de dansmethode leert. Aan de hand van de getallen 0 t/m 7 positioneren we onszelf in de ruimte. 0 is recht vooruit, 4 is de ruimte achter onze rug. 2 is rechts van ons, 6 links. Daartussenin bevinden zich de posities van 45 graden: 1, 3, 5, 7.

We zijn letterlijk bezig met het leren van een taal, alsof we als kinderen onderzoeken wat de beweegmogelijkheden van onze lijven zijn. De bewegingen zijn niet uiterst ingewikkeld en zien er vrij minimaal uit, maar het merendeel van de groep weet er toch mee in de knoop te raken. Het zijn bewegingen die we allemaal vast eens eerder hebben gemaakt, maar waarschijnlijk niet zo bewust.

Wanneer de basis in onze ledematen zit, wordt de groep onderverdeeld in kleinere groepen en spelen we met elementen als het tegengesteld van elkaar bewegen in cirkels en vierkanten en het toevoegen van een klap in de handen op het moment dat onze benen kruisen. Ook worden we uitgedaagd om de geleerde passen in een eigen choreografie toe te passen. Ik zit in een groepje met onder andere Rachel Nul-Kahana en Noga Goral, twee van de vurige Israëlische vrouwen uit de Dance Group. Het communiceren over de passen blijft voor ons als leken van de groep wat lastig, maar door gewoon maar wat te proberen ontstaat er een grappig experiment. Het is bijzonder te merken hoe snel er zich een heuse choreografie kan vormen.

Na de workshop bestudeer ik de moeilijk te plaatsen tapijten. Ze fascineren in hun lelijkheid. Er zijn stoffen te zien van verschillende patronen, die je makkelijk als tuttig of oubollig kunt omschrijven, in vormen die willekeurig uitgeknipt lijken te zijn. De werken doen ergens denken aan knip- en plakwerkjes van kinderen, die met restvormen en verschillende kleuren papier een chaotische voorstelling maken. Toch is er een ordening te ontdekken, en blijkt er een reden achter de vormen van de lappen stof te schuilen. Die reden is een ontroerend verhaal: de mannelijke danser in Eshkols gezelschap werd in 1973 opgeroepen om te strijden in de Jom Kipoeroorlog. Eshkol besloot het dansen en de choreografieën te pauzeren en zich te storten op het maken van tapijten. Hierin stelde ze regels voor zichzelf op: ze mocht de lappen reststof niet bewerken door erin te knippen en dierenprints of menselijke lichamen op de stof waren uitgesloten. Ook wilde ze geen voorkeur uitspreken voor bepaalde stoffen. Op deze manier ontstonden er, net als bij haar dansen, non-hiërarchische composities, waarin ze zich liet leiden door het materiaal.

First carpet, foto Jens Ziehe

De stoffen zijn afkomstig van buren en vrienden die haar zakken vol stoffen gaven. Verwijzingen naar kledingstukken, zoals een mouw, zijn er soms nog in terug te zien. De basis van de tapijten bestaan veelal uit militaire dekens. De abstracte vormen op de voorstellingen verwijzen, gezien titels als Cypresses at Night (1995) en Sunset by the Lake (1995) naar elementen uit de natuur zoals bomen, bergen of zonsondergangen. Maar ook zijn er ramen te zien die aan haar huiselijke omgeving referen (Window to the Night, 1981). De verhalen achter de tapijten bedacht Eshkol niet van tevoren, maar ontstonden tijdens het ‘componeren’ van de stoffen.

De tentoonstelling straalt vooral enorme toewijding uit. Toewijding aan de mens in zijn/haar basisvorm. Eshkols methode en choreografieën gaan niet over de mogelijkheden van het lichaam tot in de extremen, zoals je die in ballet kunt tegenkomen. Waarbij je de botten haast ziet kraken en waarbij de vrouwelijke dansers als fragiele zwanen rondgedragen worden door de sterke en elegante mannen. Waarbij de esthetiek het lichaam dicteert.

De Noa Eshkol Chamber Dance Group toont dansen waarin gelijkwaardigheid in sekse en uitstraling (ze maken geen gebruik van opvallende of speciaal ontworpen kleding) cruciaal is en lijken een ode aan het alledaagse. Zowel in het kijken naar de bewegingen als het uitvoeren ervan word je je bewust van de ontelbare bewegingen die je op een dag maakt. Ze leren je, samen met het EWMN-systeem hoe we ons lichaam bewust kunnen gebruiken. Dat blijkt uit het feit dat het notatiesysteem wijdverbreid ingezet wordt: in het vastleggen van bewegingen in gebarentaal, sport, het gedrag van dieren, de Feldenkraismethode, robotica en animaties. Maar ook in het ontdekken van autisme bij kinderen.

Dit is ook de verklaring voor de cryptische titel van de tentoonstelling: “I Look at the Moon and Think About My Daughter-in-Law” is een zin waarvoor de gebarentaal niet toereikend is. Hij werd door vijf doofstommen uitgesproken en vastgelegd met behulp van EWMN door een van Eshkols dansers. Iedere spreker gaf op een andere manier uiting aan de zin.

Op het einde van de workshop geven de dansers nog een korte demonstratie van een van de dansen die ze op de opening, de avond ervoor, opvoerden. Alleen op het tikken van een metronoom verrichten ze soepel en geconcentreerd de bewegingen waar wij zojuist kennis mee hebben gemaakt. In de trein terug, een 3-uur lange rit, merk ik hoe ik in de stoel hang, hoe mijn lichaam zich verhoudt tot de coupé en het landschap erbuiten: Amsterdam = 0 en Middelburg = 4.

I Look at the Moon and Think about My Daughter-in-Law, Vleeshal, Middelburg, 21.01 t/m 19.03.2017; Kunstverein, Amsterdam, 4.02 t/m 19.03.2017

 

Alle foto's Gunnar Meier (tenzij anders aangegeven), courtesy Vleeshal Middelburg

Share this Article:
|Back to Top
Meest gelezen
Tijdschrift

Koop nu het
laatste nummer

Mail naar:
karolien [​at​] metropolism.com
(€9,95 incl verzending)

Neem nu een abonnement op Metropolis M en bespaar 40%!

Abonneer
Metropolis M Tijdschrift over hedendaagse kunst Nr 6 — 2017