Zaalopname Maria Lassnig – Ways of Being, 2019, Stedelijk Museum Amsterdam.
Foto: Gert Jan van Rooij

Waarom Maria Lassnig de confrontatie niet schuwt

Issue no4
aug - sept 2019
Ziektebeelden

Ze had het helemaal gehad met de mannelijke dominantie in de kunst. Met het pistool in de hand is het 'Du oder Ich'. Jorne Vriens over Maria Lassnig in het Stedelijk Museum.

Ook in het echt weet het werk Du oder Ich te verrassen. Op het schilderij is de verder poedelnaakte schilder Maria Lassnig (1919 -2014) gewapend met twee pistolen, één plaatst ze tegen haar slaap en met de ander neemt ze de kijker op de korrel. Nagenoeg alle recensenten die de afgelopen tien jaar over het werk van Lassnig hebben geschreven, noemen dit schilderij. Dat is niet vreemd, want als beeld geeft het duidelijk aan dat met deze vrouw niet te spotten valt. Daarbij komt dat niemand die over haar schrijft haar wil negeren, omdat dit een kunstenaar is die onterecht te weinig aandacht heeft gekregen. De urgentie om haar werk nu wél te tonen komt samen in dit schilderij. Het is vast daarom het eerste werk dat je ziet wanneer je de overzichtstentoonstelling binnenstapt die het Stedelijk Museum aan de Oostenrijkse kunstenaar wijdt. De zeggingskracht van het werk schuilt er mogelijk in dat we niet goed bestand zijn tegen een pistool of een andere vorm van dreiging die geweld en leed in zich draagt. Genuanceerder, en daarmee interessanter, is De gele hand, waarin Lassnig ongelovig kijkt naar de omtrek van haar geschilderde hand die oplost in de gele achtergrond terwijl ze ook de toeschouwer, door een schildertrucje, verbaasd aankijkt. Het lichaam, als plek van plezier en tegelijkertijd een beperking, kan onwerkelijk voelen. Wanneer het lijf jong is, is het iets om je voor te schamen. Als het aftakelt een last die onafhankelijk van de geest koers kan bepalen. ‘Ben ik dit lichaam?’, lijkt Lassnig te vragen.

Maria Lassnig, Du oder Ich, 2005, particuliere collectie, courtesy Hauswer Wirth Collection Services

Je zou kunnen stellen dat het lichaam het thema is van Lassnig. Körperbewustseinsmalerei heet dat in fraai Duits. Want als Body Awareness Painting klinkt het toch wel erg New-Age. Het idee is hoe dan ook mooi: aan de hand van het gevoel -niet alleen het zicht- het lichaam schilderen, zodat alleen de lichaamsdelen die ze voelt zijn geschilderd. Wanneer ze de mogelijkheden van deze methode ontdekte, omstreeks de jaren 1940, leverde dat een hoge mate van abstractie op. Later weet ze beter vorm te geven aan haar lichaamsgevoel, zodat het geen (simpelere) expressie is die uiting vindt in abstractie, maar het lichaam een landkaart is waarop gevoel kan worden weergegeven. Gebieden waar geen gevoel zit tijdens het schilderen, worden daarbij niet getoond, daarom heeft Lassnig in haar zelfportretten bijvoorbeeld bijna nergens haar.

De interpretatie van de lichaamsbewuste zelfportretten is niet afgebakend. In de gedachte dat gevoel meer te maken heeft met emotionele intelligentie dan met de ratio, ben ik geneigd om het zelfportret Dame met hersenen waarbij het brein inderdaad uit het hoofd lijkt te vallen, te lezen als het afstand nemen van logica ten faveure van het voelen. Wat de betekenis ook is, het beeld zelf is niet eenvoudig. Dat komt door de felle kleuren die contrasteren met de zwaarmoedige en heftige poses van de figuur. De kleuren krikken het beeld op. Zodanig dat de marketingafdeling van het Stedelijk Museum ervoor heeft gekozen om dit zelfportret te gebruiken als beeld op posters, waardoor de stad even volhing met een superkleurige mevrouw wiens hersenen eruit vallen.

Wanneer het lijf jong is, is het iets om je voor te schamen. Als het aftakelt een last die onafhankelijk van de geest koers kan bepalen.

De tentoonstelling (een coproductie van het Stedelijk en het Albertina Museum in Wenen) omvat ontzettend veel werk, met een nadruk op het geschilderde deel van het oeuvre, de (voor deze tentoonstelling digitaal gerestaureerde) animatieprojecten en in mindere mate het werk op papier. Van de honderden werken in deze presentatie komt er welgeteld één uit de eigen collectie van het Stedelijk. De rest is bruikleen. Dat er veel werk door de Maria Lassnig Foundation is uitgeleend, geeft aan dat er tijdens haar leven niet heel veel werk is verkocht. Dat betekent niet dat de erkenning volledig uitbleef, tijdens de laatste decennia van haar vierennegentigjarige leven nam de aandacht door tentoonstellingen en prijzen toe (onder andere de Gouden Leeuw Golden Lion Award tijdens de Biënnale van Venetië in 2013). De ontvangst van haar werk is, nu er de afgelopen twee decennia in toenemende mate aandacht is voor haar werk, dan ook louter positief in de pers. Dat is niet zo vreemd. Wie wil er niet meesurfen op de aanzwellende golf van waardering voor een kunstenaar die à la Van Gogh gestaag doorploeterde en als klap op de vuurpijl ook nog beantwoordt aan de eis om meer werk van vrouwen te tonen in de kunstwereld?

Enthousiasme voor haar werk is ook in artistiek opzicht terecht. Het werk van Lassnig laat zich meten met de grote kunstenaars van de vorige eeuw (mannen en vrouwen, voor de goede orde). In besprekingen valt de naam Francis Bacon opvallend vaak. In 2016 toonde Tate Liverpool het werk van Lassnig zelfs naast dat van Bacon. De vergelijking met Bacon dringt zich op door de vervorming van het vlees en de dreiging van extern geweld die steeds opnieuw de kwetsbaarheid van het menselijk lichaam onderstreept. Denk hierbij aan een typisch schilderij van Bacon waarop een verwrongen gestalte een kreet slaakt, waarbij de figuur alleen in een niet gedefinieerde ruimte staat, waardoor de oorzaak van de pijn niet valt te achterhalen. Volgens mij ontlenen Bacons schilderijen hun kracht aan die totale afwezigheid van zowel een aanleiding van pijn als een oplossing daarvoor. Daarmee is het lijden permanent. De figuren van Lassnig, meestal Lassnig zelf, bevinden zich ook in een niet verder gedefinieerde ruimte maar hebben een minder extreme uitdrukking op het gezicht, niet een van pijn als allesbepalende emotie. De expressie is subtieler waardoor de oorzaak beter te lokaliseren is: bij haar komt deze van binnenuit.

Overigens waardeerde Lassnig het werk van Bacon maar kon ze niet begrijpen waarom hij foto’s gebruikte om naar te schilderen. Zoals ook uit de schilderijen op zaal blijkt was haar verhouding tot fotografie ambivalent -te zien is een schilderij waarop een camera een figuur vastlegt dat uitdagend de tong uitsteekt. Voor Lassnig was het probleem van de fotografie dat het alleen de oppervlakte kan vastleggen, terwijl het haar juist gaat om wat er aan de binnenkant gebeurt.

De positie van de vrouw in kunst en maatschappij komt in Woman Power (1979) duidelijk tot recht wanneer we een reusachtige vrouw over een stad zien lopen. Die Power die ontbreekt bij mannen blijkt glashelder uit de tot babyformaat gekrompen man in pak die zich nog altijd laat wiegen door de vrouw. Is deze illusie van verzuimde I (1997) een commentaar van Lassnig waarom ze zich op het werk storten en besloot kinderloos te blijven? De gevoelde onmogelijkheid om moederschap te combineren met kunstenaarschap en tegelijkertijd moeten dulden dat het veelal mannen zijn die in de kunstwereld succes oogsten, doen vermoeden dat Lassnig feminist moet zijn geweest. Activistisch was ze daarin niet, zo blijkt uit een tekst die is opgenomen in de catalogus waarin ze vrouwenesthetiek ‘extra-artistiek’ noemt, met kunst zelf dus niets van doen hebbende.

Wie wil er niet meesurfen op de aanzwellende golf van waardering voor een kunstenaar die à la Van Gogh gestaag doorploeterde en als klap op de vuurpijl ook nog beantwoordt aan de eis om meer werk van vrouwen te tonen in de kunstwereld?

Zaalopname Maria Lassnig – Ways of Being, 2019, Stedelijk Museum Amsterdam.
Foto: Gert Jan van Rooij

Zaaloverzicht Maria Lassnig - Ways of Being. Foto: Gert Jan van Rooij

De hoeveelheid werk is soms overdonderend. Ik kreeg de indruk dat de museumstaf het gebrek aan presentaties gewijd aan vrouwelijke makers wil goedmaken door ineens héél veel van een vrouw te tonen. Dat de presentatie niet chronologisch is opgezet, valt nog wel te begrijpen. Uit haar vroege werk blijkt een fascinatie voor abstractie (onder andere het tachisme) en surrealisme, die ze later pas op een eigen wijze weet in te zetten voor het frisse kleurgebruik en de vervorming van het lichaam. Dat latere werk is veel sterker en krijgt daarom terecht meer aandacht. Lassnig maakte kennis met de genoemde stromingen tijdens een verblijf in Parijs. Opmerkelijk genoeg verruilde ze die stad op aanraden van een vriendin voor New York - waar er veel meer kansen zijn voor vrouwen - in 1968. Stel je voor, vertrekken in het jaar van de studentenrevolutie op het moment dat Parijs (even) het centrum van de wereld was. Het lijkt voor Lassnig niet uit te hebben gemaakt, ze had aan het gevoel dat zich onder de oppervlakte afspeelde genoeg. In de catalogus schrijft Wolfgang Drechsler treffend: ‘Hoe extreem zij zich ook met zichzelf bezighield, Lassnig was in haar werk allesbehalve ijdel, ze was eerlijk, pijnlijk eerlijk.’

LEES OOK DE COLUMN VAN MAARTJE WORTEL OVER MARIA LASSNIG IN METROPOLIS M NR 2-2019 MAGISCH REALISME. BESTEL HIER: [email protected]

Maria Lassnig - Ways of Being, Stedelijk Museum Amsterdam, te zien t/m 11.08.2019

Jorne Vriens
is kunsthistoricus

Share this Article:
|Back to Top
Gerelateerd | Meest gelezen
Tijdschrift

Koop nu het
laatste nummer

Mail naar:
karolien [​at​] metropolism.com
(€9,95 incl verzending)

Neem nu een abonnement op Metropolis M en bespaar 40%!

Abonneer
Metropolis M Tijdschrift over hedendaagse kunst Nr 4 — 2019