Bert Villa in 'Made in X', Kunsthal Extra City, foto: We Document Art

Eén grondstof per kunstenaar ­– Made in X, Kunsthal Extra City

Issue no3
juni -july 2022
Make Friends Not Art

De problematiek rond grondstoffengebruik duikt steeds vaker op in hedendaagse kunsttentoonstellingen. Kunsthal Extra City nodigde acht kunstenaars uit om ieder één grondstof onder de loep te nemen. De gerichte blikken zetten gestaag aan tot breder nadenken over de hedendaagse consumptiemaatschappij.

Ik wandel van het Antwerpse Centraal Station naar het voormalige dominicanenklooster in de Provinciestraat, sinds 2020 de locatie van Kunsthal Extra City. De impostante kerkdeuren staan wagenwijd open, verwelkomen en prikkelen de nieuwsgierigheid. Wat valt er te beleven? Wie zich overgeeft aan dat gevoel loopt letterlijk vanop straat de in duister omhulde tentoonstellingsruimte binnen. Hier geen verplichte foyers, cafés of bookshops, maar meteen: kunst. Nog voor je het goed en wel beseft, kijk je naar de eerste sculptuur.

Dat eerste werk, The Art Collector (2022), is van de hand van Djonga Bismar (Democratische Republiek Congo, 1980) en Jérémie Mabiala (Democratische Republiek Congo, 1950). Het chocoladebeeld, bijna een meter hoog, toont een man in een kostuum met een opvallend brilletje. De tong van de figuur lijkt, als van een slang, gespleten. Hij zit op een iets – een voetstuk of troon? – waarrond bloemen en blaadjes groeien. Een slang sliddert rond het gestoelte. Het beeld symboliseert een rijke, witte kunstverzamelaar en de keuze die hij kan maken: deelt hij zijn welvaart door werk te kopen van kunstenaars of houdt hij zijn geld in eigen zak? Dan valt er een lichtstraal op de sculptuur, en doet de rijke verzamelaar zich in de kerkelijke context ineens voor als een Messias. Die dubbelzinnige status komt nog sterker uit de verf wanneer je de originele Franse titel van het werk erop naslaat. ‘Le Bailleur de Fonds’ kan namelijk verwijzen naar ‘De Geldschieter’, ‘De Sponsor’, ‘De Aandeelhouder’, ‘De Kapitalist’, maar ook ‘De Mecenas’.

Links staat tussen twee kerkzuilen een tweede chocoladesculptuur. How My Grandfather Survived (2021) is vervaardigd door Cedart Tamasala (CD, 1986). Een man en kind lezen samen een boek. De man draagt een kleed en sjaal. Is hij een priester? Hij omarmt het kind. Wat vooral opvalt zijn de uitstekende punten van zijn kapsel. Je kan niet anders dan er duivelshorens in zien. Het werk verbeeldt op treffende wijze het verhaal van Tamasala’s grootvader. Na de dood van diens ouders op een plantage redde een Belgische missionaris hem van armoede en gaf hem toegang tot – Europese – scholing. Het gevolg is gekend. De grootvader raakt vervreemd van de cultuur waarin hij opgroeide, een cultuur die Westerse missionarissen actief hielpen vernietigen.

CATPC (Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolaise) streeft naar een vorm van kunst die niet alleen symbolische kritiek levert op economische ongelijkheid, maar deze ook daadwerkelijk, materieel, opheft

CATPC in 'Made in X', Kunsthal Extra City, foto: We Document Art

CATPC in 'Made in X', Kunsthal Extra City, foto: We Document Art

De drie kunstenaars, die allen inzoomen op chocolade, zijn onderdeel van CATPC (Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolaise), een coöperatie van Congolese plantage-arbeiders/ kunstenaars die vaak samenwerken met kunstenaar Renzo Martens. Samen streven ze naar een vorm van kunst die niet alleen symbolische kritiek levert op economische ongelijkheid, maar deze ook daadwerkelijk, materieel, opheft. In Congo bouwden ze een kunstencentrum op het land van een voormalige Unilever-plantage. De kunstwerken die ze daar maken vormen de inspiratie voor kunstwerken die verkocht worden op de internationale kunstmarkt. Zo genereert CATPC kapitaal en zichtbaarheid voor een nieuw economisch model, de zogenaamde ‘post-plantage’. Dan doen ze met verve. Het stopt bovendien niet bij chocoladebeelden. Zo sprong de kunstcoöperatieve onlangs mee op de kar van de NFT’s.

Voor Made in X bracht curator en artistiek coördinator Joachim Naudts niet alleen sculpturen bijeen. Zo zijn er ook drie videowerken in het centrale zitgedeelte van de oude kerk te zien. Eerst is er The Blood of Stars (2017) van het Indiase Raqs Media Collective dat ingaat op de ontginning van ijzer en daarvoor beelden voorbij laat komen van meteorieten (ijzer is een raadselachtig overblijfsel van sterren), een stervend rendier en een verlaten militaire basis op de Noordpool. Een vrouwen- en kinderstem begeleiden afwisselend de poëtische beelden en benadrukken het belang van deze grondstof; ijzer is niet alleen een diep in de grond verscholen en veelgebruikte grondstof, maar ook essentieel voor het leven op aarde. Daarnaast is er ook Behind the Sun (2013) van de Koeweitse, in Senegal geboren Monira Al Qadiri dat een blik werpt op ontginning van olie. Het videowerk toont amateurvideobeelden op VHS van de in lichterlaaie staande olievelden na de eerste Golfoorlog in 1991. De beelden van een vuurspuwende aarde hebben iets van een Bijbelse Apocalyps. Ook hier hoor je stemmen, ditmaal audiomonologen van islamitische tv-programma’s in het Arabisch. Sluit je de ogen dan heeft het wat weg van een gebed. Maar iedere keer dat je ze weer opent, krijg je, net als bij The Blood of the Stars, een overduidelijke slag in je gezicht. Grondstoffen zijn en blijven vooralsnog vaak redenen voor oorlog en verderf.

Sammy Baloji en Monira Al Qadiri in 'Made in X', Kunsthal Extra City, foto: We Document Art

Monira Al Qadiri in 'Made in X', Kunsthal Extra City, foto: We Document Art

Yelena Popova in 'Made in X', Kunsthal Extra City, foto: We Document Art

Het hoogtepunt onder de videowerken is zondermeer de film van beeldend kunstenaar en fotograaf Sammy Baloji (Democratische Republiek Congo, 1978). Tales of the Copper Crosses Garden, Episode I uit 2017 documenteert het proces waarmee koper tot draad wordt getrokken met behulp van gloeiende, half-vloeibare metalen blokken of ‘ingots’. Beelden van Congolese arbeiders die noeste handenarbeid verrichten en zware machines bedienen worden afgewisseld met traag verschijnende beelden van voortbewegende koperdraden. De soundtrack is een koormis, gecomponeerd door Joseph Kiwele. Je herkent makkelijk de katholieke muzikale codes, maar wie goed luistert ontwaart ook Congolese invloeden. De meer dan 40 minuten durende video werkt vertragend en verstillend. Het is alsof ik in een trance terechtkom. Tegelijk geeft het, net als How My Grandfather Survived, te denken over de rol van de kerk in het koloniale verhaal en de manier waarop ze ook vandaag nog de Congoleze maatschappij vormgeeft.

Wat zeker niet onvermeld mag blijven is de ronduit fantastische wijze waarop deze videowerken zijn opgesteld. Elk van de video’s kreeg een aparte constructie met afgesloten houten banken die zo uit een kerk kunnen komen. Loop je door de tentoonstelling dan hoor je, op wat vaag en mysterieus geroezemoes na, de video’s bijna niet. Zit je neer dan is het geluid uiterst goed hoorbaar. Bovendien zorgt het afgesloten karakter van deze constructies dat je je in alle rust en stilte kan laten meeslepen door deze contemplatieve werken. De uitgekiemde scenografie doet de videowerken zo alle eer aan en past bovendien zeer goed in de allesbehalve evidente – want sterk echoënde – kerkelijke setting van de oude Dominicanenkerk. De hele setting, met zijn verduisterde ramen, vage audiofragmenten op de achtergrond en majestueuze kerkgewelven, maken van de tentoonstelling een mysterieuze tocht. Hoewel die scenografie zo op intrigerende manier bijdraagt aan de individuele werken, is zij ook misleidend. De retoriek van ‘onthullen’ doet het lijken alsof het voor de hedendaagse consument een groot mysterie is waar haar smartphone vandaan komt. Dat is het natuurlijk niet (helemaal); wie wil, kan daar zeker achterkomen. Door te stellen dat de grondstoffenproblematiek ‘in duisternis gehuld’ is, wordt de bezoeker ook gevrijwaard van enige verantwoordelijkheid in die problematiek; ‘ze kon het niet weten’. Die kritische noot daargelaten, moet ik opmerken dat de kerkelijke locatie veel van de werken wel ten goede komt.

Door te stellen dat de grondstoffenproblematiek ‘in duisternis gehuld’ is, wordt de bezoeker ook gevrijwaard van enige verantwoordelijkheid in die problematiek; ‘ze kon het niet weten’

Zo ook het werk Ali Baba Express: Episode 4 (2022) van Marokkaanse Ghita Skali dat de transporteconomie van thee nader bekijkt. Het bestaat uit een gigantische hoop verbebatheeblaadjes die liggen op oude plastieken IKEA-zakken. De heerlijke geur valt meteen op. Maar nog opvallender, het bestrijkt – of beter: neemt volledig over –het marmeren preekgestoelte van de kerk. De titel refereert naar de Chinese e-commerce website, maar eerder is het Skali te doen om de lokaliteit van de thee. In het begeleidende tekstbundeltje stelt ze zichzelf de vraag: ‘Waarom is een smaak intenser als je weet dat je toegang ertoe beperkt is?’. Het werk, zeker in zijn verhouding tot het spreekgestoelte, is boeiend om naar te kijken en doet hopen dat de Westerse invloed op grondstoffen nog kan gekeerd worden, maar de vraag rond toegang en de link met e-commerce kan ik niet doorgronden.

Ghita Skali in 'Made in X', Kunsthal Extra City, foto: We Document Art

Lisa Barnard in 'Made in X', Kunsthal Extra City, foto: We Document Art

Sterker overtuigen doet Lisa Barnard met haar werk Sweat of the Sun (2022) dat deel uitmaakt van haar grotere project The Canary and the Hammer dat loopt sinds 2016. Het werk focust op de ontginning van goud. Drie kleine foto’s tonen portretten van vrouwelijke ‘pallaqueras’, Spaans voor sorteerders van mineralen. Net als bij Baloji toont dit werk het nog te vaak vergeten menselijke gelaat van het ondergewaardeerde mijnwerk. Daarnaast hangt een grotere foto, in opvallende paarse en gele kleuren. Het is onderdeel van Barnards grote project dat reflecteert over onze verhouding tot goud, en dan vooral de uitbuiting die voortkomt uit diens exploitatie.

Ik loop verder naar de tuin, achter in het klooster, en zie een koperen haard met een meterslange schouw, ontworpen door de Belgisch kunstenaar en architect Bert Villa. De mobiele schouw wil de oorspronkelijk verbindende betekenis van vuur in ere herstellen. Het is een sociaal werk waarmee hij rondtrekt en wil vooral mensen, als rond een haardvuur, samenbrengen. Elke zondag om 15 uur wordt daarom de haard aangestoken en is er een programma met gasten.

Yelena Popova in 'Made in X', Kunsthal Extra City, foto: We Document Art

Made in X kaart vraagstukken aan als de exponentieel toenemende ontginning, (arbeids)uitbuiting, milieuproblematiek, uitputting van onze natuurlijke grondstoffen, geopolitieke belangen en neokolonisatie. Daarvoor zet ze haar atypische locatie in het voormalige dominicanenklooster uitstekend in; de werken worden van hun sterkste kant getoond en zullen je ook nadat je weer door de grote deuren naar buiten loopt nog lang bijblijven.

Made in X, is nog t/m 29 mei te zien in Kunsthal Extra City, Antwerpen. De tentoonstelling is samengesteld door Joachim Naudts. Deelnemende kunstenaars zijn: Monira Al Qadiri, Sammy Baloji, Lisa Barnard, CATPC, Yelena Popova, Raqs Media Collective, Ghita Skali en Bert Villa

Jasper Delva
is socioloog en schrijft over kunst en cultuur

Share this Article:
|Back to Top
Gerelateerd | Meest gelezen
Tijdschrift

Koop nu het
nieuwste nummer

Mail naar:
karolien [​at​] metropolism.com
(€9,95 incl verzending)

Neem nu een abonnement op Metropolis M en bespaar 40%!

Abonneer
Metropolis M Tijdschrift over hedendaagse kunst Nr 3 — 2022