Een kleine geschiedenis van de livestream 

Issue no3
juni - juli 2021
Makers Of Their Own Time - Relational Activism

Van haperende connecties tot niet-werkende links en wachtwoorden en vriendelijke groeten in het chatvenster. De online kunstwereld heeft zo z’n voor- maar zeker ook z’n nadelen. V2_Lab For Unstable Media, was al vanaf het eerste uur betrokken bij de organisatie van digitale samenkomsten en zond al in de jaren negentig livestreams uit van de evenementen die ze programmeerden. Minke van Schaik spreekt directeur Michel van Dartel en Arie Altena, archivaris van V2­_, over de ontwikkeling van de livestream, van de vroege artistieke experimenten uit de jaren negentig tot de huidige massale exploitatie ervan door ZOOM.

Als we praten over een geschiedenis van de livestream bij V2_, vertelt Michel van Dartel dat deze ontwikkeling twee kanten kende. Aan de ene kant was V2_ er in 1998 als een van de eerste organisaties bij om haar eigen evenementen live uit te zenden en zo te delen met de toen nog kleine, maar wijdverspreide wereld van de mediakunst. V2_ had als een van de enige organisaties een internetverbinding die dit aankon. Michel van Dartel: ‘De technologie die we toen in huis hadden bij V2_ was vrij uniek. Als ze bij het Boijmans destijds een livestream organiseerde, liep er een kabel naar V2_, om ‘m uit te kunnen zenden. Aan de andere kant ontwikkelde de livestream zich ook als artistiek medium an sich, in lijn met de experimenten in telepresence, en 3D environments die tevens bij V2_ aan bod kwamen.'

—Minke van Schaik Waar ligt de oorsprong van de livestream, in meer artistieke zin?

—Arie Altena ‘Je moet denken aan kunstenaars als Robert Adrian en Roy Ascott. Zij waren hiermee bezig, al voor ‘93 en ’94, toen het internet een wijder verspreid en meer gebruikt werd, voordat het beschikbaar kwam voor normale burgers. Een aantal evenementen dat bij V2_ heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld Telenoia in november 1992, met bijvoorbeeld een live-verbinding met Wenen. Dit was vaak in de context van een kunstproject, dat dan bijvoorbeeld over telepresence ging, en om experimenteren met de technologie.’

—Michel van Dartel ‘Er is ook het werk van Norman White, Telephonic Arm-Wrestling (1986/ 2011), waarin hij een manier ontwikkelde om een wedstrijd handje drukken te organiseren, die verliep via een telefoonverbinding. Wereldleiders zouden dit kunnen gebruiken om hun geschillen te beslechten, en grootschalige oorlog zou niet meer nodig zijn, zo was het idee. White en zijn tijdgenoten gingen zich bezighouden met communicatietechnologie, op het moment dat dat voornamelijk nog over telefoonnetwerken ging. Kunsthistorica Josephine Bosma, zegt dat de oorsprong hiervan nog vroeger ligt, bijvoorbeeld in de Mail Art. Het werd niet alleen geïnformeerd door technische mogelijkheden, maar deze interesse vormde zich al veel vroeger. Het denken over interactiviteit, en hoe die plaatsvindt via communicatienetwerken, en het sociale, politieke potentieel ervan, waren de essentie van deze werken.’

Norman White, Telephonic Arm-Wrestling, 1986

—Minke van Schaik In hoeverre had het publiek een actieve rol in deze experimenten? Was het toen al, net als nu, een zoektocht naar een digitale manier van samenzijn?

—Arie Altena ‘Als ik browse op de V2_ website, dan zie ik in de periode tussen pakweg 1992 en 2003 een aantal projecten, deels bij V2_ ontwikkeld, waarin kunstenaars, ontwerpers en architecten werkte aan het ontwerpen van 3D omgevingen. Hierin zouden mensen die zich op verschillende fysieke locaties bevonden, toch samen kunnen komen. Dit kwam toch wel uit een utopisch idee, vanuit het zoeken naar een andere vorm van samenzijn. Rond die tijd in zie je ook essays verschijnen over het potentieel van deze plekken, die ontstonden in VRML (Virtual Reality Market Language), een taal waarmee je binnen de HTML browser een 3D plek kon creëren, om in samen te komen. Deze werd later overgenomen door verschillende games, zoals World of Warcraft, maar in die tijd had je nog een artistieke ontwikkeling in deze ruimte, die geïnteresseerd was in het utopische potentieel van deze plekken.’

—Minke van Schaik En hoe moeten we de connectie zien tussen livestreams, en dit soort 3D ruimtes?

—Arie Altena ‘Het idee om een livestream te doen was denk ik vrij sterk verbonden aan het idee van een alternatieve 3D ruimte. Evenementen werden gelivestreamed om de connectie te maken met een internationaal publiek, maar ook met dat utopische potentieel, vanuit het idee dat je iets deed dat voor iedereen toegankelijk was. Het was in die 3D ruimte dat er op zoek werd gegaan naar de mogelijkheden om op andere manieren kennis en ervaringen met elkaar te delen.'

—Michel van Dartel ‘Soms kon je dan ook vanuit zo’n 3D ruimte, de livestream volgen. Als een soort extra dimensie aan het evenement. In de jaren negentig was dat nieuw. Er zat een culturele dynamiek omheen die voor onze collega’s in ieder geval interessant was. Pas enkele jaren later, nadat de nieuwigheid eraf was, begon dit format –het volgen van een livestream vanuit digitale 3D-ruimtes– te sneuvelen. Dat had twee oorzaken: ten eerste werd mediakunst populairder, ook in Rotterdam. Hierdoor waren wij niet meer geheel afhankelijk van een internationaal publiek, omdat er lokaal ook interesse kwam. Ten tweede werd een deel van onze subsidie geschrapt rond 2008, waardoor wij een deel van onze technici moesten ontslaan Omdat het streamen destijds een vrij dure aangelegenheid was, hebben we die keuze moeten maken, en expertise in livestreams verdween daarmee.’

—Arie Altena ‘Het daadwerkelijke evenement vond plaats bij V2_, en die livestream was slechts een extra functie. Het programma zelf is directer en intenser als je op de plek zelf aanwezig bent. Mét 50 of 100 andere mensen. Op een gegeven moment hebben wij de livestream laten varen, om meer op het evenement zelf te focussen. En daar was ook voldoende publiek voor, dus dat hoefde je niet meer via een livestream op te zoeken.’

Zeronet, 1993

Telenova, 1992

—Minke van Schaik Wat hebben jullie geleerd van die eerste experimenten?

—Michel van Dartel ‘Dat digitaal samenkomen verder gaat dan beeld en geluid; het gaat om daadwerkelijk samenkomen. Daarvoor zijn tast en geur ook relevant: zouden we die zintuigelijke ervaringen digitaal kunnen overbrengen? Bij V2_ proberen we nu vroegere ideeën daarover weer af te stoffen. In ons project Reenacting the V2_ archive, nodigen we kunstenaars uit om die oude ideeën uit het archief opnieuw te proberen met de technologie van nu. Dit zijn instrumenten die we proberen te gebruiken om op al dit conceptuele werk te kunnen voortbouwen, nu er weer meer interesse in is. Ook hebben we er een netwerk van partijen, en een cultuur van dit soort experimenten aan overgehouden. Nog voordat het virus Europa aandeed hadden we met onze Chinese collega’s al afgesproken een virtuele, genetwerkte tentoonstelling op te zetten. Ter ondersteuning van partners die op slot moesten. Toevalligerwijs viel de première hiervan samen met het begin van de eerste lockdown in Nederland, en het moment dat men begon te schrijven over de consequenties hiervan voor cultuur. Zo startte V2_ eigenlijk al voor de Nederlandse lockdown, toen de situatie in China alleen nog penibel was, met partner instellingen het project We=Link was toevalligerwijs net online, op tijd voor de lockdown in Nederland. Ik was eigenlijk positief verrast hoe snel we konden omschakelen naar digitaal programmering verzorgen, doordat we nog deel uitmaakten van dat eerder gelegde netwerk van instellingen, en de cultuur van dit soort experimenten.’

Documentatie van 'Global Interior Project', DEAF96 Exhibition (1996), Foto Jan Sprij

Deel van Masaki Fujihata's bijdrage aan de Networked Multi-User Virtual Environment, DEAF96

—Minke van Schaik En hoe gaan jullie nu met jullie livestreams om?

—Michel van Dartel ‘Onze evenementen worden uitgezonden via een passieve stream op YouTube, voor het publiek dat alleen wil kijken. En we hebben een Jitsi-server, waar je meteen via je microfoon of de chat inbreng kan hebben op het evenement. Zo proberen we ook een sociale component in het evenement te integreren. We willen toch wel dat een aantal mensen zich ook rond dat live moment verzamelt, om toch die interactie te hebben. Dit proberen we ook te organiseren door na een evenement een bar-moment te plannen, waar men elkaar informeel kan spreken over de thema’s die zijn aangesneden.’

—Minke van Schaik Hoe passen jullie de programmering aan, op dit strikt digitale format?

—Michel van Dartel ‘Vanaf het moment dat de lockdown inging, en wij op een andere manier gingen programmeren, hebben we meteen besloten om ook onze formats aan te passen. Het wordt pas interessant zijn als je ook voor een virtueel publiek programmeert, niet dat je slechts de camera richt op een evenement dat normaal gesproken live zou worden bijgewoond. Ook als een evenement hybride is, moet je zorgen dat het voor beide publieken interessant is. Hierdoor zijn we meteen gaan nadenken over artistieke evenementen die voorbijgaan aan het simpelweg uitzenden van evenementen die anders fysiek bijgewoond zouden kunnen worden.’

—Minke van Schaik En het archief van de toekomst? De programma’s en livestreams die jullie nu maken, archiveren jullie die? Heeft het wel zin om elke livestream op te slaan, en waar moet je op letten, wanneer je dit doet?

—Arie Altena ‘Wat wij nu meestal doen is het live laten zijn, en het daarna enige tijd niet beschikbaar stellen. Zo houden we de urgentie van het evenement op het moment zelf bijwonen wat hoger. Na een maand is het vervolgens vaak weer op onze site te bekijken. Soms maken we een filmpje van drie minuten, om mensen een indicatie van het evenement te geven. Voor onderzoekers en andere geïnteresseerden zorgen we natuurlijk wel dat een volledige registratie van het evenement toegankelijk blijft, maar het aantal mensen dat een livestream van twee uur terug wil kijken is toch vrij beperkt.’

—Minke van Schaik Welke andere instellingen hebben het livestreamen volgens jullie goed opgepakt?

—Michel van Dartel ‘Ik zie eigenlijk vooral éen plek waarop livestreams echt goed werken, en dat is op wetenschappelijke conferenties. Die hebben toch al een vrij rigide format, met een duidelijk uitgelegde interactieve structuur. Het voordeel van deze conferenties naar online verplaatsen is dat het bereik ervan enorm gegroeid is, en dat de grote kosten die er normaal gesproken aan verbonden zijn zo’n conferentie bij te wonen, nu niet meer betaald te hoeven worden. Ik zie dat in de mediacultuur festivals eerlijk gezegd nog niet zo de toegevoegde waarde van het digitale karakter van de manifestatie. Een voorbeeld van een project dat dit wel oppakt is bijvoorbeeld Impossible Bodies. Natuurlijk blijft het een feit dat het meeste werk gemaakt is om fysiek te beleven, en om de fysieke interactie mee aan te gaan. Je zult altijd zien dat de virtuele ervaring afdoet aan de ervaring zoals die bedoeld is. Het We=Link voorbeeld, wat onze partners dus ontwikkelde, vond ik sterk omdat zij meteen keken naar de waarde van Net Art voor deze vreemde tijd. Zij zijn uitgegaan van werken die gemaakt zijn om online te beleven, en die reflecteren op online cultuur. Nu is de presentatie ervan weer vrij simpel: het is slechts een lijst met werken die je in kunst gaan.’

—Minke van Schaik Livestreamen lijkt heel democratisch, maar is het dat wel? Alleen al omdat het kostbaar is, wil je het goed doen. Is dat niet een probleem? Ontstaat er niet een kloof tussen instellingen die het geld hebben en zij die daar het budget niet voor hebben en dus wegvallen uit het publiek debat?

—Michel van Dartel ‘Ik denk dat je momenteel ook als kleine instelling vrij ver komt met het maken van een livestream van je evenementen, ook met een kleiner budget. Dit is zo goedkoop geworden dat het ook voor kleinere instellingen haalbaar moet zijn. Daarnaast valt het me ook op dat het publiek tegenwoordig bereid is om ervoor te betalen. Dat was in de begin periode nog helemaal niet aan de orde. Voor ons geldt dat we de komende jaren veel meer zullen focussen op de wisselwerking tussen technologische ontwikkeling en maatschappelijke ongelijkheid. Dit is natuurlijk een heel actueel voorbeeld om aan te grijpen: in hoeverre is de software die we gebruiken biased? Wie heeft het eigendom hierover? Dit zijn allemaal vragen die onderbelicht blijven, en waarin wij een hele duidelijke rol voor de kunsten zien om deze vragen voor het voetlicht te brengen.’

Voor sommige soorten kennisuitwisseling is online samenkomen heel geschikt. Tegelijk zie je dat mensen vooral uitkijken naar een einde van het online werken, en liefst weer fysiek willen samenkomen

—Minke van Schaik Hebben jullie tips, vanuit jullie expertise, voor instellingen die nu online evenementen organiseren? Do’s en don’t’s? Qua format, platform, opzet, of de rol van het publiek?

—Michel van Dartel ‘Ik denk dat het vooral belangrijk is om te schakelen naar het programmeren voor een digitaal publiek. Ik denk dat dit belangrijker is dan de technologie die je tot je beschikking hebt. Wat ik verder heel interessant vind, is dat een aantal van de kritieken die we op corporate software hebben gegeven, nu heel makkelijk overboord worden gegooid. Dit is ook een dilemma wat we hebben. We deden tot voor kort alles op Jitsi, dat is open-source software. Maar de technische mogelijkheden waren niet voldoende toereikend, waardoor we nu toch een Zoom account hebben aangeschaft.’

—Arie Altena ‘Al deze vragen zijn aan het begin van het internet aan de kaak gesteld, door kunstenaars, al midden jaren negentig. Dit is nu weer aan de orde, maar de praktijk stuurt ons een andere kant op. Zelfs voor een organisatie als V2_ zien we dat het onhoudbaar wordt om niet ook een Zoom account te nemen.’

—Michel van DartelDe push vanuit het publiek neemt hierbij ook toe: je merkt toch dat mensen meer bekend zijn met Zoom, en het daarom fijner zouden vinden dat een evenement daarop plaatsvindt, dan op het minder bekende, of gebruiksvriendelijke Jitsi.’

—Minke van Schaik Denken jullie dat de livestream als we straks weer op pad kunnen ook zo belangrijk zal zijn?

—Arie Altena Ik denk dat er wel wat is veranderd. Voor sommige soorten kennisuitwisseling is online samenkomen heel geschikt. Het was al gewoner geworden dat een buitenlandse spreker niet in het milieuvervuilende vliegtuig stapte om live aanwezig te zijn op een symposium, maar de lezing online deed. Soms is online ook makkelijker, en meer mensen en organisaties hebben dat ontdekt. Dus iets zal blijven. Ik heb ook de indruk dat er op een meer grassroots niveau al voor de pandemie meer met online vormen van presentatie werd geëxperimenteerd en gewerkt. Het is in die zin een verandering die al was ingezet, en versneld is door pandemie. Tegelijk zie je dat mensen vooral uitkijken naar een einde van het online werken, en liefst weer fysiek willen samenkomen. Online blijft een veel armere omgeving dan de fysieke wereld. Maar hoe het zich al ontwikkelen zal vooral afhangen van de grotere maatschappelijke reconfiguraties en de effecten van politieke restricties.’

—Michel van Dartel Ik denk ook dat er “straks” meer virtuele en hybride culturele publieksactiviteiten zal blijven plaatsvinden - omdat mensen er simpelweg meer bekend mee, en gewend aan zijn geraakt. Maar daarnaast hoop ik natuurlijk ook dat mensen zich zullen blijven herinneren hoe sterk ze momenteel fysieke culturele activiteiten missen. Misschien helpt het om de cultuursector beter op waarde te schatten.’

Minke van Schaik
is schrijver en kunsthistoricus

Share this Article:
|Back to Top
Gerelateerd | Meest gelezen
Tijdschrift

Koop nu het
nieuwste nummer

Mail naar:
karolien [​at​] metropolism.com
(€9,95 incl verzending)

Neem nu een abonnement op Metropolis M en bespaar 40%!

Abonneer
Metropolis M Tijdschrift over hedendaagse kunst Nr 3 — 2021