Denkverbod op liberale kunst

Issue no3
juni / juli 2019
Brussel / Bruxelles

Wij stellen vast dat het debat rond de noodgedwongen herstructurering van de cultuursector sinds haar aankondiging gevoerd wordt in beperkte en negatieve termen. De discussie spitst uitsluitend toe op de aangekondigde bezuinigingen en draait zo om… geld. Het financiële plaatje is echter misschien wel het minst belangrijke en meest oppervlakkige van een progressieve liberale visie op kunst en cultuur.

De verenging van het debat over het nieuwe huis voor cultuur is toe te schrijven aan de beide betrokken partijen:

1) De uitvoerder van het huidige kunst- en cultuurbeleid, staatssecretaris Halbe Zijlstra, blijft in gebreke als het erop aan komt een algemene liberale visie op kunst & cultuur uit te dragen. Het gebrek aan een noodzakelijke inhoudelijke omkadering reduceert de aangekondigde bezuinigingen tot een technisch-boekhoudkundig verhaal over het herverdelen van subsidies. Hiermee blijkt het kabinet niet bij machte het progressieve karakter van de liberale visie op cultuur in de verf te zetten. Dit is nochtans hard nodig om de perceptie van de neoliberale inslag van het nieuwe kunst- en cultuurbeleid te ontkrachten en een breed draagvlak te creëren binnen de sector. De cultuursector is van oudsher gesitueerd in de linkse hand van de welvaartstaat en vraagt dan ook extra overtuigkracht omtrent het progressieve karakter van een liberalisering van het kunstbedrijf.

2) De kunstsector blijkt niet in staat om, binnen de huidige ongunstige sociale en economische omstandigheden, haar handel en wandel aan een kritisch onderzoek en realiteitstoets te onderwerpen. Het denkverbod op de noodgedwongen liberalisering van cultuur reduceert het luid geschreeuw en moedig geschuil tot een krampachtige poging om vast te houden aan traditionele ideeën en verworven voorrechten. Bovenop een staatssecretaris die niet in staat is het grote verhaal van de herstructurering uit te dragen, komt een cultuursector beheerst door een halsstarrige vakbondsmentaliteit. De fixatie op de eigen, provinciale belangen maakt elke open discussie over zaken die het eigen voordeel en onmiddellijke voortbestaan overstijgen, onmogelijk. Bovendien voedt het een agressie, intolerantie en intimidatie van collega’s die de herstructurering zien als een kans om na te denken over een ander en beter functioneren van cultuur in de 21ste eeuw.

De leemte in het debat ondermijnt het nieuwe culturele huis waar Nederland nood aan heeft. Het naargeestige gesteggel over geld moet overstegen worden om ruimte te maken voor de meer cruciale en interessante discussie over de fundamenten, contouren en instrumenten van een cultuurbeleid op liberale leest.
Het is onze overtuiging dat een liberale visie op kunst en cultuur niet zomaar kan afgewimpeld worden als een neoliberale shockdoctrine aan de hand van de achterhaalde sociaal-democratische reflexen en vooroordelen. De subsidiecultuur van de welvaarstaat is niet eigen aan de kunsten en is dan ook niet onaantastbaar. De uitzonderingstoestand die de kunstenaar hiermee geniet, leidt tot wantoestanden en perversies die het maatschappelijk draagvlak van de cultuursector bedreigen en verhinderen dat kunstenaars de uitdagingen van Nederland in de eenentwintigste eeuw aannemen.

Een liberalisering van de kunst- en cultuurmarkt heeft méér te bieden dan de discussie over bezuinigingen vandaag doet vermoeden. Juist daarom moet de uitdaging van het huidige kabinet om de cultuursector op een radicaal andere liberale leest te schoeien, een eerlijke kans krijgen.

Naar de kunstsector onderstrepen wij dat het nieuwe kunst- en cultuurbeleid een unieke kans is voor een radicale herstart die de traditionele hiërarchieën, stokpaardjes, gevestigde machten binnen de sector voor eens en altijd te doorbreken. Eerder dan het herstructureringsproject op dogmatische wijze af te doen als asociaal of neoliberaal, moeten de kunstenaars de progressieve, radicale, ja zelfs emancipatoire elementen erin identificeren en maximaal uitbuiten. Tegen alle kunstenaars die jarenlang de klaagzang aanvoerden over hun inbedding in onduidelijke politiek-maatschappelijke projecten, hun afhankelijkheid van grote kunstinstellingen en hun precaire arbeidsomstandigheden zeggen wij… dit is jullie moment om het woord te nemen.

Naar de overheid onderstrepen wij dat het liberale cultuurbeleid trouw moet blijven aan haar liberale uitgangspunten en geen compromis mag dulden. De staatsecretaris stelt vandaag voor om alle middelen in te zetten op de basisinfrastructuur van de culturele sector, maar laat grote kunstinstellingen om de één of andere reden buiten schot. Deze aanpak doet te kort aan wat een basisinfrastructuur hoort te zijn: de garantie naar alle betrokkenen dat de kunst- en cultuurmarkt vrij en open opereert. Wij stellen dan ook klaar en duidelijk dat de schokdoctrine niet garandeert dat kunstenaars ook daadwerkelijk ondernemerschap vertonen en de hand reiken naar het publiek. De huidige schok moedigt kunstenaars integendeel aan om vast te houden aan oude gewoonten in de marge van de nu nog machtigere kunstinstellingen. Tegen alle politici en beleidsmakers die al jaren trachten kunstenaars te activeren ten aanzien van maatschappelijke uitdagingen zeggen wij… toon het lef om af te rekenen met de grote instituten en theaterhuizen en bouw op het as van het oude een frisse, progressieve basisinfrastructuur de naam waardig.

Gideon Boie en Matthias Pauwels (BAVO)

Beeld: Yuri Veerman - afkomstig van Slash Art,

Comments
Posts 1 — 5 / 5
1
23 juni 2011
Sjoerd van Oevelen

BRAVO BAVO BRAAF OHHH GO WITH THE FLOW NEOLIBERALISSIMO !!!

BAVO wijst in het bovenstaande betoog op ‘de verenging van het debat’ rondom cultuur door de cultuursector en politiek. Ook wijst zij op het feit dat de bezuinigingen om geld draaien... en dat is jammer. Natuurlijk zou het geweldig zijn om (in een ideale wereld) naar aanleiding van een breed gevoerde dialoog op inhoudelijke gronden de cultuursector te verbeteren en waar nodig grondig aan te passen. Niet alles is pais en vree. Maar onder de druk van de aangekondigde bezuinigingen van ± 25% (bovenop de btw verhoging uit het belastingplan) van het kabinet is het evenwel onrealistisch te verwachten dat de sector, onder het genot van het spreekwoordelijke kopje koffie, nog verder over haar eigen toekomst gaat filosoferen.

BAVO, verklaar je nader, wat is er nu precies progressief aan de liberale visie van cultuur die dhr. Zijlstra uitdraagt? Is het omdat het lef toont af te rekenen met de huidige basisstructuren? En waarom moet de neoliberale perceptie van de bezuinigingen worden ontkracht, als zij in essentie gewoon neoliberaal is? Of ligt er een denkverbod op het benoemen van de aard van de bezuinigingen? Hoe moeten wij het aankomende kunstbeleid dan typeren? Als evenwichtig liberaal? markt-rechtvaardig? Wat ik zie is dat de productiekant van de culturele sector de klappen opvangt voor deze bezuinigingen en bijna in zijn geheel verdwijnt. En dat ‘mainstream’ cultuur zoals topinstituten, musea, bibliotheken en erfgoed worden gespaard. Is dat in jullie ogen progressief?

BAVO wil met dit betoog het braafste jongetje van de klas zijn dat de neoliberale knuppel in het eigen hoenderhok gooit en zich lijkt te verschuilen achter quasi-intellectueel en politiek correct taalgebruik, maar verder nalaat de consequenties te benoemen van het aanstaande beleid of ook maar enige poging doet om met alternatieve, betere oplossingen te komen.

BAVO schetst in de laatste alinea eindelijk haar vergezicht: “de garantie naar alle betrokkenen dat de kunst- en cultuurmarkt vrij en open opereert”. Welke markt opereert vrij en open? Hebben we de afgelopen decennia niet genoeg voorbeelden gezien dat hele sectoren aan de markt werden toevertrouwd waardoor beetje bij beetje alle waarborgen en kwaliteiten uit deze sectoren werd gehaald en de overheid haar invloed erover verloor? Vaak werd het toelaten van marktwerking net als nu als goedkoper en als kwaliteitsimpuls voorgesteld. In veel gevallen heeft het juist gezorgd voor verschraling waarbij kleinere spelers afhaakten en sindsdien een aantal grote organisaties de dienst uit maken.

BAVO biedt een 'oplossing' dat even cynisch als ontluisterend is. Het komt erop neer is dat de cultuursector dit neoliberale denkmodel klakkeloos moet overnemen. Geïnfecteerd met het filosofische ideaal van het Nederlandse maakbaarheidsdenken roept BAVO in de laatste regels van deze ‘vrijbrief voor afbraak’ aan alle beleidsmakers op lef te tonen, af te breken en alles weer lekker nieuw en fris op te bouwen.

BRAVO

24 juni 2011
BAVO

Onze stelling is dat het kunstbeleid van Zijlstra niet liberaal genoeg is. Je opmerking dat de geplande bezuinigingen vooral de productie droog legt om musea blijvend te ondersteunen, past in deze analyse. Het is in dit licht dat we Zijlstra vragen om ook een efficiencyslag te maken in het beheer van dure musea en andere topinstellingen. Een culturele basisinfrastructuur moet de snelwegen van de kunstmarkt aanleggen, niet de grote kunstbedrijven financieren.

24 juni 2011
Jack Segbars

@BAVO
Jullie stelling is tevens dat de kunstsector zelf zich erg verzet tegen zo'n liberalisering en het een vermolmd gebeuren zou zijn. De prikkeling die ervan uit moet gaan mist een beetje doel als je zo hard vasthoudt aan dat aspect van de weerstand en niet de overduidelijke negatieve effecten van de wijze waarop de omslag vorm wordt gegeven, meetelt. Dat is een beetje 1-zijdig shoppen.
Ik zou niet tegen (en ik weet zeker dat dat voor veel meer mensen opgaat) een andere wijze van structurering zijn indien die overwogen plaatsvindt. De wijze waarop het nu wordt vormgegeven door Zijlstra is de afbraak zonder verder beleid, zoals jullie correct opmerken. Dat leidt tot een vereenzelving van de liberale ideologie met die van de tactiek van de verschroeide aarde. Ik meen dat jullie ook de petitie voor het behoud van de Jan van Eyck hebben getekend?
Waarom zou je dat doen?

24 juni 2011
BAVO

We delen je bezorgdheid voor de negatieve effecten van Zijlstra's stugge aanpak. De Ronde Tafel gaf ook flinke kritiek hierop. Het kabinet moet enthousiasme opwekken voor een dynamische kunstmarkt eerder dan zich lompweg terugtrekken en te hopen dat de markt de gaten vult. Kunst is een publiek-privatesamenwerking waarbij de overheid de toonzetting moet doen en fiscale voordelen creëren.

De postacademische instellingen is nog zo'n foute, onliberale inschatting van Zijlstra. Ze vormen onderdeel van een culturele basisinfrastructuur als incubator van vernieuwing en talent. Bovendien kunnen ze ook moeilijker geld uit de markt trekken dan een museum met grote publiekswerking. De PS van Limburg benadrukken ook unaniem (ook VVD en PVV) hun rol in internationale uitstraling.

28 juni 2011
Robin Brouwer-Liberticide

Beste Gideon en Matthias,

Wie kennis neemt van het cultuurbeleid sinds de introductie van het marktdenken begin jaren negentig, ziet dat overheden en marktpartijen opereren vanuit een paradoxale logica: men wil meer markt en zelfvoorzienigheid en tegelijk een breed en divers aanbod. Wat we konden zien in deze periode is dat veel (met name grotere) cultuurinstellingen weliswaar in staat waren om met behulp van sponsoren en slimme marketing overheidsonafhankelijke gelden te genereren, maar dat dit ten koste ging van een divers aanbod. Als er een les geleerd kan worden van de neoliberalisering van de samenleving is het dit: marktwerking impliceert niet alleen een ander financieringsmodel, maar heeft tegelijk verstrekkende invloed op de inhoud van het aanbod. Sinds de jaren negentig zagen we dan ook veel instellingen overgaan tot een vorm van zelfcensuur. Avant-gardistische en educatieve programma’s maakten plaats voor een groter aandeel van entertainmentarrangementen voor een breed publiek. Menig zichzelf respecterend lokaal en traditioneel festival transformeerde onder druk van de overheid en door de invloed van grote biersponsoren (en het programmeren van landelijke sterren als Borsato en Bauer), tot mainstream cultuurfeesten. Veel musea, eerder gespecialiseerd in een bepaald historisch en cultureel segment, gingen breder en algemener programmeren en zetten inmiddels veel om met hun winkels. Cultuur werd – Max Horkheimer en Theodoor Adorno schreven er eerder over – een vermaakindustrie. Sinds de jaren negentig zijn ‘artotainment’, interactiviteit, ‘edutainment’ (zelfs ‘filotainment’ - sic) bekende verschijnselen. De museumnacht of de nacht van de filosofie hebben weinig meer met kunst, laat staan met wijsbegeerte te maken. Beleidsmakers herkennen deze paradox inmiddels, maar zijn met handen gebonden aan nieuwe ambitieuze profielen: Amsterdam hanteert het Top Stad! Beleidsprogramma en de provincies moeten op cultureel terrein met elkaar concurreren om landelijk en liefst internationaal op te vallen. Cultuur is verworden tot een marketingtool binnen de lifestyle-industrie en wordt naar believen door overheden en bedrijfsleven instrumenteel ingezet om mooie sier mee te maken.
De overkoepelende cultuurvisie die dit beleid moet legitimeren gaat uit van het idee dat een dergelijke vermarkting van cultuur de democratie ten goede komt. Cultuur mag niet elitair zijn maar moet dienstbaar zijn, moet het ‘u vraagt wij draaien!’ huldigen. Maar wat voor democratie is dit eigenlijk? Omdat binnen dit schema de grootste doelgroepen regeren, ervaren we in cultureel opzicht al jaren de dictatuur van de massa. Als zij, de meerderheid, er niets in zien heeft het geen bestaansrecht. Kritiek hierop wordt weggezet als elitair en antidemocratisch.
Omdat de cultuursector in ideologische zin al twee decennia gegijzeld wordt door een zelfverkozen postmoderne onmondigheid waar dit haar maatschappelijke en kritisch-reflexieve functie betreft, is zij niet bij machte om tegen een dergelijk ‘anything goes’ iets in te brengen. Vrijzinnigheid, onafhankelijkheid en de mythe van de artistieke autonomie hebben haar in ideologisch opzicht de das om gedaan. Vandaar dat het haar ontbroken heeft aan ideologische wapens om hier iets tegenover te stellen. Cultuur en kunst moeten leuk, sexy, trendy en eigentijds zijn. Zelfs binnen vooraanstaande kunstopleidingen in Nederland ontbreekt het aan een mogelijke reflectie om de maatschappelijke positie van de cultuur te denken – men is hier sinds de introductie van het cultuurrelativisme/psotmodernisme simpelweg niet meer in geïnteresseerd en haalt tijdens nog steeds negentiende eeuwse en romantische mythen van stal over kunstenaars die lekker autonoom op hun zolder bezig zijn. Zonder enige intellectuele bagage over wat autonomie zou kunnen betekenen in een samenleving die volledig door de postmoderne, neoliberale ideologie wordt gedomineerd, leiden dergelijke mythen – zoals bleek de laatste twee decennia – tot bloedeloosheid en geestelijke impotentie. Biënnales, Manifesta’s en Dokumenta’s gingen voorbij, vervuld van een ironische zelfgenoegzaamheid over een cultuur die zich volledig heeft losgezongen van haar daadwerkelijke maatschappelijke en politieke engagement (realiteit).
En hoe kan het ook anders in een land waarin de cultuur traditioneel nooit zo’n sterke basis in het maatschappelijke leven heeft gehad? Tot de introductie van de euro hebben cultuurdragers als Joost van den Vondel en Baruch de Spinoza op bankpapier gestaan, terwijl maar weinig mensen deze cultuurhelden kenden. Het hedendaagse cultuuronderwijs op basisscholen is nog steeds vervuld van clichés en is inhoudelijk vrijwel non-existent. Kunst, literatuur en wijsbegeerte maken geen onderdeel uit van het vaste basiscurriculum op middelbare scholen, maar zijn extra’s voor liefhebbers – en dat terwijl literatuur in Duitsland een vast onderdeel is voor elke middelbare scholier of kunststudent en men zelfs op technische opleidingen in Italië gec

Share this Article:
|Back to Top
Gerelateerd | Meest gelezen
Tijdschrift

Koop nu het
laatste nummer

Mail naar:
karolien [​at​] metropolism.com
(€9,95 incl verzending)

Neem nu een abonnement op Metropolis M en bespaar 40%!

Abonneer
Metropolis M Tijdschrift over hedendaagse kunst Nr 3 — 2019